Ins & outs. A field analysis of the performing arts in Flanders

Lees verder

Wij zijn samen onderweg, hallelujah Het gras zal altijd Geeler zijn, Het Gevolg

Auteur: Anna van der Plas

Vlak voor vertrek nog even de website van het gezelschap bestudeerd voor de precieze route naar Ten Aard, een dorp aan de rand van Geel. Normaal gezien bij het stoplicht naar links en dan de dorpsweg volgen tot aan een leegstaande varkensboerderij. Maar niet op de avond dat ik Het gras zal altijd Geeler zijn wil bezoeken.

Door wegwerkzaamheden is er een omleiding van minstens een kwartier. Slingerend via landweggetjes geflankeerd door oude knotwilgen volg ik de pijlen naar mijn bestemming. In de weilanden trekt een typische herfstmist omhoog langs koeienpoten. Ik vraag mij af of de omlegging misschien bewust is ingelast, bij wijze van sferische introductie. Dan wijst een fel licht plots op menselijke aanwezigheid en dirigeert een man in fluorescerend hesje mij de parking op. In één blik zie ik de uitvergrote poster van de voorstelling naast een authentiek Mariakapelletje met een maïsveld als achtergrond. Dit alles heet mij welkom bij Het Gevolg, dat zijn tweede locatievoorstelling in de Kempen speelt binnen de reeks Littekens in het Landschap. Twee jaar geleden maakte men voor de gevangenispoort in Wortel Kolonie een voorstelling over de landlopers die er ooit woonden. Nu ging de aandacht uit naar de psychiatrische gezinsverpleging in Geel.


Shetland

Eenmaal warmpjes geïnstalleerd onder een typisch locatietheaterdekentje zie ik Ward (Stefaan Degand) de tribune instappen: ‘Goedenavond, ik ben Ward, en wat is uw naam?' Met priemende ogen kijkt hij ons aan. Sommige mensen krijgen een hand, want Ward ziet er misschien wel angstaanjagend uit, het is een vriendelijke mens. De grote loods waarin we ons bevinden is zijn thuis, tussen een berg oude fietsen en met een sigaretje binnen handbereik. Met autistische zorgvuldigheid krabt hij de verf van een fietsframe, een vorm van bezigheidstherapie waar later een hele context achter blijkt te schuilen. ‘Het is nogal een zomer geweest, hé, veel regen, niet gemakkelijk, ook niet voor de coureurs.' De fiets is zijn fascinatie, moeiteloos somt hij data op van wielerwedstrijden uit vervlogen tijden, of fietsonderdelen in alfabetische volgorde. Als Ward zelf een fiets zou hebben, dan zou hij het wel weten: eerst naar de markt voor taart en dan door naar Shetland - in zijn beleving een paradijselijke plek met heuvels vol wuivend gras en bloemen. Een veilige haven waar het leven goed is, ‘ook voor de kindjes'.

Het eerste kwartier van de voorstelling staat Ward alleen op de scène. De immense leegte rondom kan als symbolische verbeelding gelden voor wat er zich in zijn hoofd afspeelt. Als kind is Ward aangereden door een dronken buurman tijdens zijn eerste fietstochtje zonder zijwieltjes. Maanden lag hij in het ziekenhuis. De dokters zeiden dat hij beter zou worden, maar echt goed is het nooit meer gekomen. Zijn verhalen leiden zelden tot een samenhangend geheel en uit alle flarden herinnering en associatie moet je als toeschouwer zelf zijn levensverhaal reconstrueren. Naast het ongeluk uit zijn kindertijd doemt er nog een tweede indringende ervaring op uit zijn geestelijke mist: de episode waarin Ward op latere leeftijd tewerkgesteld wordt bij Electrabel, die in haar plaatselijke vestiging iets goeds wil doen voor de verwarde medemens. Onbegeleid rijdt hij na een paar dagen met een vorkheftruck een loods in puin, meteen goed voor zijn ontslag. Zoveel verantwoordelijkheid kon hij blijkbaar niet aan.

Ward beweegt zich traag tussen twee speelvlakken, kunstmatig gecreëerde eilandjes in een verder verlaten leegte. Niet ver van de eerste rij zijn ze afgebakend met oude tegeltjes. Op het ene staan een tafel en een stoel, iets verderop hangt een fiets aan kettingen uit het hoge plafond. Maar wanneer het licht verandert, verandert ook het beeld. Ik zie de gehele loods met achtergelaten rotzooi, bergen fietsen, een badkuip in een plas water en silo's tegen de achterwand. Ineens valt mijn oog op een lantarenpaal in de verte. Er staan nog veel meer waskommen tussen wuivende graspluimen die verwijzen naar het Shetlandse paradijs. Er is door menselijke hand beschaving aangebracht op deze verlaten plek. En dan zie ik ook de twee andere acteurs in het schemerdonker. Bruno Vanden Broecke en Nico Sturm zijn altijd aanwezig in de ruimte, maar slechts af en toe in de vertelling. Steeds komen ze op vanuit de diepte van de loods om anekdotes, weetjes of herinneringen aan de monoloog van Ward toe te voegen. Wanneer we de symboliek doortrekken en de lege loods als het hoofd van Ward beschouwen, dan kan het niet anders dan dat deze twee zich in het hoofd van het personage bevinden.


Wat moet ‘m dan doen, hummekes?

Vanden Broecke komt op een BMX-fietsje tot aan de tribune gescheurd als levende herinnering aan het WK in 1988 waar de coureur Bauer met een elleboogstoot zijn concurrent Criquielion van de wereldtitel afhield. Daarna is hij de professor die ons de medische achtergrond van Wards hersenaandoening uitlegt. En ook laat hij op doeltreffende wijze zien hoe het kinderfietsje van de kleine jongen jaren geleden door de lucht gekatapulteerd werd, met de gekende gevolgen. Sturm lijkt voornamelijk in de emotionele hersenhelft van Ward te zitten. Zijn eerste opkomst in gammele rolstoel is vooral komisch (met de nodige moeite kan je er ook de fysieke verbeelding van Wards mentale handicap in zien), maar even later raakt hij een gevoelige snaar wanneer hij als oud besje in de armen van Ward valt. Moeke, de gastmoeder van Ward, is oud en versleten en maakt zich zorgen wat er van haar jongen moet komen als zij er niet meer is. Op zijn Geels gezegd: ‘Wat moet ‘m dan doen, hummekes, als wulle der niet meer zijn?' Het is een mooi beeld, de tengere gestalte van Sturm in de armen van collega Degand als Moeke die steun zoekt bij haar psychiatrische patiënt - de verzorger en de verzorgde die voor even van rol zijn gewisseld.

Er zitten mooie plaatjes tussen de vele scènes, zoals wanneer de twee hersenspinsels samen als gastouders op verjaardagsbezoek komen bij hun Wardje. Het knusse tafereel heeft een rafelrandje door het cadeau dat zij bij zich hebben. Een echte Shetlandpony is het goedbedoelde alternatief voor de gedroomde fietstocht naar Shetland. De twee verdwijnen vrolijk zwaaiend weer uit beeld terwijl Ward verbouwereerd achterblijft. Hij probeert zich te herpakken door zich aan het beest voor te stellen: ‘Hallo, ik ben Ward, en wat is uw naam?' Het levert een grappige en tegelijk ontroerende scène op. Maar niet alle momenten in Het gras zal altijd Geeler zijn zijn even scherp uitgewerkt. Soms storen de interventies van Vanden Broecke en Sturm meer dan dat ze iets aan de kwetsbare lijn toevoegen die Degand gedurende de avond opbouwt. Het is de consequentie van de manier van werken waarbij de drie spelers samen met dramaturg Bram Verschueren al het verzamelde materiaal hebben omgezet naar een voorstellingstekst. Interviews, documentaires, eigen ervaringen en fantasie vormen zeker een stevige basis, alleen heeft de hutsepot van materiaal net niet lang genoeg geprutteld om de smaken te doen vermengen. Het leven van Ward krijg je als toeschouwer al met al nog bij elkaar geconstrueerd, maar de nevenpersonages zijn soms te veel een cliché of gewoonweg niet goed te interpreteren.

Thuisverpleging

Niet dat het zelf associëren en interpreteren van op de tribune een interessante avond in de weg staat. Want de ‘zot' op het toneel is niet zomaar een kapstok waar Het Gevolg een thematische verzameling artistieke invallen aan heeft opgehangen. Ward had nergens méér thuis kunnen zijn dan op deze boerderij in Geel, waar gezinsverpleging al generaties lang traditie is. Het personage Ward wordt bovendien nergens stereotype of belachelijk, zo is mijn ervaring. En ook één van de bezoekers hoor ik na afloop zeggen dat ze bij momenten dacht nog op haar werk in het Open Psychiatrisch Ziekenhuis te zijn. De voorstelling trekt naast toeschouwers van buiten de regio en personeelsleden van het OPZ nog een derde opvallende groep toeschouwers: de buurtbewoners. Het is juist ook deze groep die Het Gevolg wil bereiken met zijn locatievoorstellingen. In de tekst zitten verschillende subtiele verwijzingen naar lokale feiten en anekdotes. Wanneer de acteurs uit het duister opkomen en hun samenzang steeds duidelijker klinkt, hoor ik een zachte extra stem uit de rij achter mij: ‘We zijn samen onderweg, halleluja'.

De inbedding in het lokale leven is de kern van het overkoepelende project Littekens in het Landschap. Sturm en Vanden Broecke (toen geregisseerd door Don Verboven) slaagden er twee jaar geleden met Paradijs voor Futlozen in om iets dat voor de plaatselijke bevolking vanzelfsprekend is, de aanwezigheid van landlopers in het dagelijkse straatbeeld, tot een hoger niveau te tillen. En ook dit keer maakt de voorstelling het gewone voor even bijzonder door zowel buitenstaanders als ingewijden met andere ogen te doen kijken naar de traditie van de psychiatrische thuisverpleging. Dat Het gras zal altijd Geeler zijn tekstueel mindere momenten kent, wordt gecompenseerd door de vele stiltes en rust die een groot deel van de voorstelling bepalen. Ze doen je begrijpen wat er in het voorgoed onthaaste hoofd van Ward moet omgaan. In de indrukwekkende ruimte komen de verstilde mise-en-scène en de abstracte vormgeving (Leo de Nijs) goed tot hun recht. Een locatievoorstelling staat of valt nu eenmaal met de locatie, die meer moet zijn dan louter een mooi decor. Als het werkt, mengen voorstelling en entourage zich met de omgeving en lijken alle kunstmatige ingrepen volstrekt op hun plaats.

Door de openstaande poorten van de loods valt langzaam de nacht en de kakelende kippen van in het begin maken plaats voor vleermuizen. We verlaten Wards leven op het moment dat zijn Moeke gestorven is en hij troost vindt in de kinderlijke verklaring dat ze nu een sterretje aan de hemel is tussen alle andere moekes. Ik blijf in gedachte nog even bij hem, terwijl de sterrenhemel tegen het plafond net zo schittert als de sterren buiten.

share

Hou me op de hoogte: