Veel pluimen, weinig vleugelslag Circusnachten, Laika & 't ARSENAAL

Auteur: Wouter Hillaert

Traditioneel volkse cultuurvormen zijn in opmars binnen het theater, en naast de deurenkomedie profiteert vooral het circus daarvan. Na Sensazione, een mozaïek van circusacts in een speciaal tuigenpark van Time Circus, waagt jeugdtheatergezelschap Laika zich nu met 't Arsenaal aan een meer klassieke theatervoorstelling in een variététent. Circusnachten maak je mee op krappe bankjes rond de piste, terwijl buiten de fakkels van het Antwerpse winterfestival Wintervuur knetteren. Stemmig, dat zeker. Maar is deze coproductie in regie van Jo Roets ook meer dan zijn knusse circuskleedje?

De kostuums van Mieja Hollevoet zijn het eerste wat opvalt in Circusnachten. In hun overdaad tonen ze net een doelbewuste, bijna ironische schraalheid. Craquelé korsetjes, wollen overgooiers, licht onnozele jassen, plompschoenen, deplorabele broekjes die tot diep in de lies getrokken zijn: het heeft iets clownesks, maar echt circus is het niet. Er mankeert altijd iets, of er hangt iets te veel. Kostuums om de kostumering zijn het, en snel zullen ze in de loop van de voorstelling ook wisselen: van travestietenoutfit naar clownspakjes tot hele berenvellen. Waar in peepshows de kleren uitgaan, gaan ze hier aan. Maar het showprincipe blijft hetzelfde. Zo verschijnen in een van de eerste scènes steeds nieuwe rariteiten van achter een blikkerend gordijn: een meisje met twee ogen waar haar tepels horen, de hermafrodiet Albert/Albertina, het minuscule vrouwtje Wonder. Telkens maken de kostuums de afwijking, en hebben de acteurs daar nog weinig aan toe te voegen.

Deze burleske freakshowscènes roepen in flashback het bordeel op van Ma Nelson (Luc Springuel op hoge hakken en in netkousen), maar net zo goed vormen ze een circusact in het heden van het reizende gezelschap van Kolonel Kearney (Jakob Beks). Precies tussen die twee oorden van verleiding liep het leven van Fere (Jessa Wildemeersch), het eigenlijke hoofdpersonage van Circusnachten. "Ik kom uit een ei. Op een morgen rond mijn dertiende scheurde in ons bordeel het achterste van mijn hemd open en kwamen er twee vleugels tevoorschijn." Naast haar wonderlijke vleugelslag bezit Fere, topdiva van Kearney's troep, ook de flair om iedereen te betoveren, van gewone circusklant tot hoge graaf. Allen gaan ze voor haar charmes plat. Reden genoeg voor de nuchtere Engelse journalist Jack Walser (Justus van Dillen) om te ontsluieren hoe dat nu juist zit met die vleugels. Zijn ze wel echt? Zoals in alle magisch-realistische romances gebeurt het onvermijdelijke: Walser valt zelf voor Feres wuivende wimpers. Als hulpclown monstert hij aan bij Kearney's mistroostige clown Buffo (Jos Geens), om Fere en het hele circus te kunnen volgen op hun toer van Sint-Petersburg naar het verre Tokyo. Het wordt een reis vol onvoorziene wendingen.

Je voelt meteen waar Jo Roets voor gevallen moet zijn in de roman Nights at the circus (1984) van de Britse schrijfster Angela Carter. Allereerst focust hij op de prikkelende sfeer van het circuswezen rond 1900, met zijn voorwetenschappelijke fascinatie voor het wonderlijke en zijn Jules Verne-achtige hang naar het exotische, het onbekende. Niet alleen in de kostumering. Op een verhoogje boven de ingang van de nostalgische variététent voedt multi-instumentalist Rudi Genbrugge het scènebeeld met zowel klassieke hoempapa als met zweverige doom voor het mysterie rond Fere. Maar meer nog lijkt Roets op Carter te hebben toegehapt voor het epos op zich: voor de gestage liefdesvertelling, voor de naijverige afrekeningen binnen het bonte gezelschap van circusartiesten, voor de avontuurlijke verwikkelingen na de ontsporing van hun Orient Express in Siberië. Ook eerder al koos Roets bij Laika voor romaneske vertellingen als Van muizen en mensen (Steinbeck), De twaalfde nacht (Shakespeare) en De idioot (Dostojevski). Zij bieden het voordeel dat hun verhaalontwikkeling een breed spectrum van grappig tot triest toelaat, en op het eind vanzelf tot een meer of minder uitgesproken gevoelscatharsis komt.

Maar waar Circusnachten beide interesses - het wonderlijke circus en het mythische epos - aan elkaar probeert te smeden, valt de voorstelling tussen twee stoelen door. Ze doet in meerdere scènes flets aan, vult de tent niet, lijkt niet te leven. Acteurs komen vaak wat verloren over, zwemmend in hun opzichtige kostuums. Misschien zijn beide basisgegevens onverzoenlijk: enerzijds de besloten circusring met zijn dwingende eis tot wervelend vertoon en loutere verrassing met oooo's en aaaa's, en anderzijds de epische (statische) vertelling over lotgevallen ver buiten de ring, drijvend op een tekstuele verbeelding en een emotionele verwondering die veel trager inwerken, via een fictionele omweg. Leent de piste zich wel tot epossen? Valt de systematiek van korte acts te rijmen met die van lange exotische verhalen? Niet toevallig beperkten alle andere recente theaterproducties rond circus (van August August August van de Paardenkathedraal tot de coproducties ROM en Donkisjot van Theater Stap) hun verbeeldingsruimte tot de ring zelf. Hun verhalen speelden zich in het zaagsel af.

Toch moet die ambitieuze verzoening in Circusnachten mogelijk zijn. Gemene deler tussen piste en epos is immers de menselijke vervreemding die Roets zoekt in zowel de vettige als de gevoelige scènes. Zo suggereert een holderdebolder clownact van de hele groep, compleet met draaiende plank en opzichtig beentje lichten, vooral de eenzame droefenis van de entertainende lachebek. "Haal de schmink weg en eronder zit domweg niets", vat Buffo de Grote het zelf cynisch samen. Precies dezelfde existentiële stuurloosheid zingt assistentje-van-alles Mignon (Lien De Graeve) naar het einde van de voorstelling uit. Ze klemt zich met haar armen om Genbrugge, die nu in de piste piano speelt als na een lange dronkemansnacht. Haar lied treft precies die mix tussen troost en tristesse die de betere Tsjechovproducties zo kunnen doen raken. Alleen blijft die emotionele volheid om alle vervreemding in Circusnachten een zeldzaam moment. Ergens wringt er iets, maar wat?

Het probleem ligt voor een stuk bij de acteurs, of bij de dubbelheid die Roets met hen beoogt tussen aangezet, expressionistisch en meer persoonlijk, impressionistisch spel. Dat vooral de oudere acteurs van 't Arsenaal zich graag op de eerste stijl werpen, kon je jarenlang zien onder hun vorige artistiek leider Guido Wevers, in producties als Interieur of Bij Jules en Alice. Hier kunnen ze af en toe weer voluit met dat geschmier uitpakken, maar het levert (net als toen) zelden echt grappige scènes op. Het ligt er te dik op, het is te gewild: theater als showbizz. Beks daarentegen mist net de grote armzwaai die nodig is om als circusdirecteur zijn publiek van bij aanvang in te palmen. Of dient de verklaring voor dat soort halfslachtigheden gezocht bij de tragiek die Roets tegelijk wil integreren? Ze draait alles meteen op een lager pitje. Dieptepunt is de scène (na de ontsporing van de Orient Express) waarin Fere in de Siberische bossen benaderd wordt door robuuste bosmannen. Ze zien in haar een lid van de Britse koninklijke familie en vragen haar hulp: een situatie die Carter bedoeld moet hebben als totaal absurd. Maar zo wordt hun bede allesbehalve uitgespeeld. Waar overdrijving in Circusnachten gerechtvaardigd zou zijn, blijft het mak. En waar wel overdreven wordt, gebeurt dat niet overtuigend. In showbizz is dat een probleem.

De kern van dat hele probleem ligt in de scenische vertaling van Nights at the circus naar Circusnachten. In essentie schreef Angela Carter een subtiele, subversieve parodie op de mythes en sprookjes die het fundament vormen onder onze Westerse cultuur. Haar roman, verwezenlijkt in de hoogdagen van het postmodernisme, is een min of meer feministische Schrek voor volwassenen, rond de clichérollen van vooral vrouwelijke personages. Fere wil zich eraan ontworstelen: aan het fantasiebeeld dat mannen van haar creëren en dat zijzelf alleen nog maar passief kan belichamen. Wanneer zij na de treincrash Walser redt (in plaats van hij haar), buit ze de romance uit zoals die door de literaire eeuwen is vormgegeven. En zo zit Nights at the circus vol met speelse knipoogjes. Maar wat gebeurt er in Circusnachten? Roets reduceert Fere tot een actrice die het slachtoffer wordt van haar verplicht entertainende rol (terwijl Wildemeersch wel net van die hoofdrol lijkt te genieten). Haar vrouwelijke mentor Lizzie (Lilian Keersmaekers), die haar bij Carter voortdurend herinnert aan haar eigen vrijheid, wordt hier veeleer een zagetante die Feres liefde in de weg staat. Dat is natuurlijk een legitieme regiekeuze. Maar deze interpretatie naar het tragische toe zorgt wel voor een ernst én een zeemzoetigheid (samen kristalliserend in een sneeuwvlokscène tussen gescheiden geliefden bij open tentzeilen) die nog moeilijk te rijmen vallen met het burleske circuskader. Zoveel verschillende kegels kunnen enkel meesterregisseurs in de lucht houden zonder schoonheidsfouten. De originele subversiviteit is in Circusnachten ver te zoeken.

De zoektocht van Fere naar haar ware zelf, onder al haar spektakeldons, wordt ook die van de voorstelling zelf. Wat blijft er over zonder de exuberante kostuums? Het antwoord geldt voor wel meer producties op de groeimarkt van ervaringstheater op locatie of met zintuiglijke publieksinteractie. De vorm en de ervaring op zich rechtvaardigen dat de inhoud - en soms ook de uitvoering - minder bijzonder uitvallen. Circusnachten illustreert dat je volkse cultuurvormen nooit ongestraft gebruikt als de inzet ervan onduidelijk blijft.

share