Showbizz voor schizofrenen WaWilWieDoen, BRONKS

Auteur: Wouter Hillaert

Soms tref je zo'n voorstelling waarin je werkelijk het gevoel hebt ogen te kort te komen. In WaWilWieDoen van BRONKS vraagt niet alleen een overdaad aan prikkels op scène om een facetoog, je krijgt ook heel andere voorstellingen afhankelijk van het interpretatieve kijkgaatje dat je kiest om het geheel te overschouwen. Is dan de voorstelling schizofreen, of zijn wij het? Een blik of vier, zonder vizier...

Blik één: de populaire kijk

WaWilWieDoen is een flirt met alles wat te catalogeren valt onder ‘foute stijl'. Neem alleen al het begin. In een soort bosdecor (groene losse repen van het plafond voor de bomen, rook door de windmachine voor de mystiek) komt een halve kaboutermeid op met een opgeblazen strandbal om haar middel, en met een geweer dat ook de tuit van een extra large gieter had kunnen zijn. Ruth Beeckmans snikt opzichtig, schrikt zich bij elk geluid een serieuze hoed en gaat uiteindelijk een potje grienen als een brandweersirene. Door de boxen schalt Mahler, als bij het begin van een thriller. Ook een tweede figuur, gehuld in een spannend luipaardbroekje en onder een koeienmasker, komt zoekend op, een kleine drietand in aanslag. Joris Hessels ijsbeert over en weer alsof hij met laarzen door de modder waadt. Beide figuren kruisen elkaar ‘zonder elkaar op te merken', tot het toch tot een confrontatie komt: in het soort slowmotion waarmee slechte amateurs schijngevechten voeren, werkt de een de ander tegen de grond. Dan volgt ineens de grote amoureuze herkenning, bezegeld met een innige tongzoen. Intussen is nummer drie aan komen sloffen, blote hangbuik vanonder een vuil jeansjasje, met grote ogen van verwondering en een eiermandje onder de arm. Moedwillig doet Dominique Van Malder aan een uit de voegen gebarsten en transseksueel Roodkapje denken. Zijn langharige pruik zal ook niet de laatste van de voorstelling blijken te zijn. Slecht jeugdtheater uit de jaren stillekes lijkt voor deze prelude de inspiratiebron te zijn geweest, maar wat daarvan wordt overdreven is de overdrijving zelf. Het maakt de plotse afbreking door Toshiba (Randi De Vlieghe), die prompt de muziek afzet, des te bruusker. Alles bleek maar een toneeltje-in-het-toneel te zijn. Bedremmeld staan de drie eerste performers ineens in hun verklede blootje, als kwetsbare leerlingen in wat een speciale showbizz-workshop blijkt te zijn.

Maar de show zelf goes on. Toshiba gooit zijn eigen schijf op de muziekinstallatie voor een collectief dansje als van een derdeklas achtergrondkoortje. De Vlieghe ontpopt zich tot een tv-presentator voor een celebrity-show met de titel Who the fuck is that? Er worden emoties geoefend en audities gepersifleerd als voor Idool, compleet met het kleineren van de kandidaten, in steeds nieuwe pakjes. Mosjie (Hessels) en Aurélie (Beeckmans) bestrijden elkaar in een rapbattle, terwijl Janiek (Van Malder) zijn agressie van zich afbrult in een heavy metal act. Het houdt niet op: hits, zang, dans, glitter zonder glans. Alles voor de duur van één liedje en liefst nog door elkaar. Schreeuwlelijkheid is de saus die alles (net) samenhoudt, in wat vooral binnen het parcours van De Vlieghe een nog enthousiastere ode aan de kitch is dan zijn Gender Blender bij fABULEUS en Het Verdragen van Versailles bij de Kopergietery. Als populaire cultuur als inspiratiebron in opmars is binnen theater, is WaWilWieDoen daarvan de explosie. Het appeal ervan wordt handig gebruikt om het publiek mee te voeren, terwijl de ironie ertegenover voor de kritische lading moet zorgen. Onze mediasamenleving vervreemdt mensen van zichzelf en zadelt hen op met een fout soort heldendrift, lijken De Vlieghe en co te willen communiceren. Iedereen beroemd wordt hier ‘niemand zichzelf'.

 

Blik twee: de sociale kijk

WaWilWieDoen is een poging om zicht te bieden op de sociale zorgsector voor jongeren met gedragsstoornissen. Wie zijn ze? Hoe worden ze behandeld? Met welk effect? De vier makers, waarvan Van Malder en Hessels elkaar het beste kennen uit onder meer de De gebroeders Leeuwenhart (BRONKS) en Troebelroes (Antigone), bekeken vooraf een hoop documentaires. En dan vooral Amerikaanse, waarin heropvoeding en nationaal erfgoed als ‘the american dream' en extreem entertainment niet onverenigbaar blijken. Van Malder heeft bovendien wat ervaring met hoe Vlaamse sociale instellingen functioneren, na zijn sociaal-artistiek theater- en filmproject Don Quichote in het Gentse Ghuislaininstituut voor psychiatrische patiënten. Ook in WaWilWieDoen volg je de blik van de ‘zieke' klanten, vanaf het rake breukmoment waarin rijkeluisdochtertje Aurélie van haar begeleidster Martine (De Vlieghe) even mag bellen met het thuisfront. 'Komde gij dan alsjeblief en blijft gij hier eten, want ik heb een kookpasje verdiend, en dan mag ik zelf meekoken voor mijn bezoek. Dan kan ik uw lievelingseten maken, hè mama. En dan kunnen we misschien eens goed praten samen, mama. Als gij dan echt naar mij luistert, dan kunnen we misschien tot een echt gesprek komen. Want ge kunt mij natuurlijk pas helpen als ge weet wat er met mij scheelt, hè mama.'

Expressie, verbaal of theatraal-creatief de vinger op de eigen kwetsuren kunnen leggen in een veilig vertrouwen, vormt het therapeutische doel van de ‘behandeling' van ook Mosjie en Janiek. De jongens kampen met ouderlijke verwaarlozing van thuis uit, ‘kloppen' liever dan te ‘klappen', dragen elk hun kerfstok mee. Maar terwijl Martine en haar collega opvoeders, in één conflictscène gekarakteriseerd in een kaki militair kostuum, rechtgeaard proberen om voor hen de hemel waar te maken, herscheppen de jongeren elkaars wereld af en toe in een hel. Mosjie wil te veel aandacht in de camerasessies, Janiek gaat door het lint over een suggestie dat hij te dik zou zijn. Herkenbare problemen als paranoia, een negatief zelfbeeld, fysieke agressie of zelfmutilatie voel je voortdurend terugkeren aan de wortels van bepaalde scènes. Het viertal makers wil vooral die sociale karakterisering open plooien, ze zichtbaar maken voor (jonge) toeschouwers die nog nooit van de open of gesloten instellingen van Mol of Ruiselede gehoord hebben. Enige ironische kritiek op de hulpverlening zelf is daarbij niet van de lucht, zoals wanneer Martines hele systeem van groepsknuffels, ‘kindertijdsessies', ‘bedaarhoekjes' en medeverantwoordelijkheid de revue passeert. De clash tussen haar bemoederende methode van ‘sorrykaartjes' en de harde, gekwetste kwaadheid van deze jongeren, is immens.

 

Blik drie: het verschil van jeugdtheater

WaWilWieDoen is een zoektocht naar hoe het Vlaamse jeugdtheater zich kan ontworstelen aan zijn sterke hang naar huiskamerdramatiek (met favoriete thema's als gescheiden ouders of jongen-meisjesverliefdheid), zonder de boodschap er vormelijk te dik op te leggen. Die zoektocht is in grote mate die van BRONKS, dat met succesproducties als Zolderling en Miss Mie nochtans een tijdje sterk in die eerste hoek zat. Bulger, over de moord op Jamie Bulger, vormde begin 2006 een eerste opvallende voorstelling over een thema dat ook in de kranten floreert, en waarbij de klassieke kleurrijke fantasie niet voor een verzachtende balsem zorgde op de gevoelige ziel van vooral leerkrachten en ouders. Telkens opnieuw gaat artistiek leider Oda Van Neygen sindsdien met makers het gesprek aan over wat ze willen vertellen over de wereld. Zo ook in aanloop naar WaWilWieDoen, dat eerst ‘louter' een voorsteling over helden zou worden. De thematiek van zorgjongeren werd daar uiteindelijk samen met de makers ‘in gediscussieerd'. Maar rasechte podiumbeesten als deze vier makers hebben hun knipoog en spelplezier nodig om überhaupt tot een uitspraak te kunnen komen. Een ernstige inhoud kan niet zonder een luchtige vorm. Bovendien staan hun keuzes niet los van meer algemene vragen waar het jeugdtheater altijd mee zal blijven worstelen. Waar ligt de grens voor donkere en zelfs troosteloze thema's? Wat kan je kinderen meegeven, wat niet? In hoeverre moet een voorstelling spannend blijven om naar te kijken? En hoe bereik je dat? Wat is voor jongeren herkenbaar, wat niet?

In WaWilWieDoen is gekozen om die herkenbaarheid te zoeken in de vorm, in die explosie van genres, stijlallusies, snelle ritmiek van muzikale hits en visuele formats. Elke scène schept een ander kader voor dezelfde weinig vanzelfsprekende problematiek: de sociale en psychologische kwetsuren van zij die minder vlot functioneren in dit maatschappelijke overlegbestel, veruit de minderheid van het publiek in de zaal. Op beide vlakken zie je dit jeugdtheater zoeken naar zijn extreem: hoe uitzichtloos mag je zijn in wat je vertelt, hoe uitbundig in het opgeven van een helder en coherent kader voor hoe je dat vertelt? WaWilWieDoen is een experiment zoals ook Alias de wanprater dat bij BRONKS was.

 

Blik vier: is het nou goed of niet?

Nee, er mankeert iets aan. In hun ambitieuze poging totaal verschillende velden over elkaar te schuiven, vallen de makers in meerdere scènes tussen twee stoelen door. Een mooi voorbeeld is de auditiescène, waarin achtereenvolgens Toshiba, Aurélie en Janiek door de rest te kakken gezet worden omwille van hun persoonlijke verhaal over een van hun kwetsuren. Ze drukken zich uit over wat binnen in hen schrijnt, maar dat krijgt nooit de kans even pijnlijk binnen te komen in de zaal. Het populaire format van Idool zit in de weg, luisteren doe je alleen naar de sarcastische commentaar van de jury. De ironie tegenover de entertainmentindustrie besmet de rechtgeaarde sociale zorg van de makers. De foute stijl van het kader zet zich vast op de inhoud zelf. Hoe goed de acteurs ook spelen in hun snelle wisselingen van registers en toon, hun personages zijn lang niet altijd geloofwaardig te nemen. Het resultaat is dat vanuit dezelfde afstand waarmee naar het eigen showgehalte wordt gekeken, ook zorgjongeren zelf gerepresenteerd worden. Je voelt een buitenstaandersblik van makers die zelf in andere situaties zijn opgegroeid, ook tegenover het opvoedersgild dat wel heel makkelijk aan de kant wordt geschoven om zijn geitenwollensokkenaanpak.

Maar toch, precies in die onmogelijke combinatie zit de eigenlijke bijzondere werking van WaWilWieDoen. Naarmate het stuk vordert, en de sociale blik steeds meer aandacht opeist tussen de kieren van het vermaak, groeit in de zaal de vervreemding. Wat verdedigen de makers precies? Hoe kunnen ze zo showbizzerig omgaan met deze jongeren waar ze zelf de tragiek van proberen ontvouwen? Het wat aarzelende applaus spreekt boekdelen: je weet er niet meteen weg mee, en precies daar stel je je de vraag wat je eigen verhouding tot dit soort straffe gasten is. Wat stoort aan deze hele benadering is onze eigen verstoorde twijfel tussen medelijden en veroordeling in deze thematiek, ons eigen normale zijn dat van niks weet, en tegelijk in populaire formats als comedy, rechtszaakartikels of meer sensatiebeluste tv-reportages de miserie van anderen vercommercialiseerd wil zien, niet anders dan de presentator van Who the fuck is that op scène. Ongewild, maar des te sterker, raakt die onmogelijke combinatie van vorm en inhoud in WaWilWieDoen aan iets heel schizofreens in onze trotse, Europese recht- en verzorgingsstaat.

share