Over slapstick, ontrouw en naaktloperij: achter elk doek schuilt een ander mannetje Mannetje met de lange lul, Dood Paard

Auteur: Anna van der Plas

Goed begonnen is half gewonnen. Een titel verzinnen is een van de moeilijkste en belangrijkste onderdelen van een creatie. Hij moet prikkelen, niet te veel onthullen en vooral goed passen bij de inhoud. De titel van een voorstelling is op die manier een aanknopingspunt voor toeschouwers: hij vertelt iets over wat men in de zaal kan verwachten. Hij kan ook voor makers een houvast zijn wanneer zij geen bestaande tekst ensceneren, maar een voorstelling monteren op basis van verschillend inspiratiemateriaal. Een titel ligt al vast, terwijl definitieve keuzes over inhoud of ontwikkelingslijn uitgesteld kunnen worden tot vlak voor de première. En dan kan het gebeuren dat de vlag na een wekenlang proces ineens de lading niet meer blijkt te dekken en de titel geen aanknopingspunten meer heeft met de inhoud van de voorstelling. In het geval van Dood Paard, het Amsterdamse gezelschap dat in samenwerking met Maatschappij Discordia haar nieuwe voorstelling in Monty speelde, was die inhoudelijke aansluiting misschien niet eens de bedoeling. Hun titel trekt vooral veel aandacht - van voor- én tegenstanders - wat natuurlijk een niet te onderschatten publicitaire kracht is.

Op de website van Dood Paard is een reactie te lezen van een stichting die zich op basis van de titel per direct uit het adressenbestand wil laten verwijderen. "Niet geachte Dood Paard (...) wij zijn niet gediend van dergelijke post met dergelijke taal", zo schrijft men ontdaan. De meeste mensen zullen bij het horen van ‘Mannetje met de lange lul' hooguit wat nieuwsgierig zijn naar de voorstelling die erachter schuilgaat. Is het betreffende mannetje één van de personages? Is zijn lichaamskenmerk het onderwerp van de voorstelling? Wat zijn de gevolgen ervan voor zijn leven en zijn relatie met anderen? De twee acteurs (Kuno Bakker en Jorn Heijdenrijk) staan grotendeels in ontbloot onderlijf op het toneel en verwijzingen naar de titel slaan zo op het eerste gezicht dus vooral op het uiterlijk van de spelers en niet op dat van hun personages. Totdat je de voorstellingsbrochure leest: de titel verwijst naar een gelijknamig filosofisch essay uit de achttiende eeuw, dat als vertrekpunt gold voor de makers.

In ‘Mannetje met de lange lul' is de schoonheid van het onvoorspelbare de insteek. Gedurende twee uur stoeien Bakker en Heijdenrijk met teksten van de achttiende-eeuwse arts en filosoof Julien Offray de La Mettrie, de negentiende-eeuwse toneelschrijver Alexandre Dumas (père) en de twintigste-eeuwse schrijver en politicus Vaclav Havel. Bindmiddel tussen deze variaties is een thematische lijn van problematische relaties en heimelijke liefdes, maar nog belangrijker is het overkoepelende kader waarin de verschillende teksten een plek krijgen. De spelers bevinden zich in een theatersetting op het toneel, waar ze als acteur van de ene onverwachte wending in de andere glijden, via een spel tussen fictie en werkelijkheid. Ze lopen keer op keer verkeerd, struikelen over losse kabels en vergeten hun tekst. Ook al heb ik de chaos die vlak voor mijn ogen ontstaat veel vaker gezien, toch twijfel ik de eerste minuten of de heren wérkelijk geen idee hebben wat ze staan te doen, of juist heel erg goed. De suggestie dat de rest van de avond één lange improvisatie is die voortkomt uit al deze ‘missers', kan echter niet waar zijn. Daarvoor is niet alleen de inhoud, maar bovenal de vorm te dwingend.

De ogenschijnlijke rommel op het toneel is een decorbeeld dat vaker terugkomt bij voorstellingen van Discordia, dat sinds het wegvallen van structurele subsidie samen met gelijkgestemde gezelschappen zoals Dood Paard opereert. Een grijs tentdoek hangt op korte afstand van de eerste rij met daarnaast een kluwen van losse touwen uit het grid en daar omheen rondslingerende rekwisieten zoals vellen papier, kostuums en stoelen. Achter het doek vangen we een glimp op van de rest van het decor dat, wat later blijkt, bestaat uit nog veel meer doeken in alle soorten en maten. Naarmate de tijd verstrijkt, worden ze één voor één naar beneden gehaald totdat in de slotminuten het ‘echte' decor verschijnt waarvan al de hele avond sprake is. Dat de voorstelling zogenaamd in het honderd loopt, komt namelijk doordat ruim voor het einde per ongeluk het derde, blauwplastieken doek naar beneden gelaten wordt, dat eigenlijk het slotdoek is. Hoe kan de voorstelling nu nog eindigen, als het slotdoek al gevallen is?

De verwijzingen naar theaterconventies blijven terugkeren. Bakker opent de voorstelling met overdreven tromgeroffel, hij is gekleed in doorschijnend onderhemd, een nietsverhullende string en een gebloemd kort jasje. Daarna is het de beurt aan Heijdenrijk, die over zijn naakte lichaam niet meer dan een lange openvallende jas vol borduursels en een ouderwets hoedje draagt. Hij steekt zijn hoofd door de opening van het eerste doek en hangt en trekt er tijdens zijn monoloog zo veel aan, dat er steeds meer scheuren ontstaan. Dan valt het naar beneden en zien we het glimmende rode doek erachter. De theaterregels beginnen nog meer af te brokkelen wanneer Heijdenrijk in het volgende deel stuntelt met zijn tekst. Eerst probeert Bakker hem tevergeefs te souffleren, maar later worden de spiekbriefjes met tape tegen het rode doek geplakt. Zogezegd achter de coulissen, maar in werkelijkheid in het volle zicht van het publiek. De ultieme anticlimax aan het einde van de avond is tenslotte het ‘echte' decor achter het ‘slotdoek', dat bestaat uit een wanordelijke opstelling van oude boxen, ventilatoren, keukenapparatuur en een varkenskop.

Met de inhoud van ‘Mannetje met de lange lul' heeft dit decor niets te maken, want het grootste deel van de voorstelling bestaat uit het toneelstuk ‘Een huwelijk onder Lodewijk XV' van Alexandre Dumas (père), waarin zich met veel gedoe een buitenechtelijke liefde ontspint. Geheime afspraken aan de poort, gefluister achter pilaren en vermommingen leiden tot misverstanden. De dialogen lenen zich tot een acteershow van Bakker en Heijdenrijk, die met wisselende mutsjes en kamerjassen vliegensvlug van personages wisselen. De verwarring nadat ook dit misgaat, illustreert het thema van de voorstelling: de onberekenbaarheid van het leven en de acceptatie van dingen die zich in het hier-en-nu aandienen.

Na het bestuderen van verschillende teksten van La Mettrie waren Bakker en Heijdenrijk vooral geïnspireerd door zijn ideeën over vrijheid en geluk. Een eeuw na Descartes vond La Mettrie dat niet alleen het lichaam, maar ook de geest een autonoom werkende materie zou moeten zijn. Als atheïst en materialist moedigde hij zijn medemens daarom aan om zijn passie te volgen en zich over te geven aan de grilligheid van het leven. In de begin- en eindmonoloog komen verschillende tekstfragmenten uit diens werk terug, onder andere uit het bekendste ‘L'homme machine'. De hoofdgedachte van het stuk is echter te herleiden tot de stelling dat het ‘nu' alles is dat telt. Theater is dan ook hét medium waar de onvoorspelbaarheid van het moment van invloed is. Het wordt door sommigen zelfs als de grootste kracht en belangrijkste waarde van deze kunstvorm gezien. Voorstellingen van Dood Paard hebben naar eigen zeggen het actuele karakter van een performance: iedere avond is er ruimte voor nieuwe keuzes, interpretaties en mises-en-scène, waardoor geen enkele voorstelling gelijk is aan de vorige. Het risico van een mindere avond ligt besloten in haar experimentele karakter en wordt niet uit de weg gegaan.

De onhandige manier waarop de twee spelers zich door de avond lijken te worstelen, is in eerste instantie grappig, maar wordt wat eentonig wanneer hetzelfde trucje zich blijft herhalen. Daarnaast werkt het ook vertragend: het eerste bedrijf van Dumas lijkt eindeloos te duren door alle onderbrekingen. Hierna volgt er nog een tekst, dit keer ‘Vernissage' van de Tsjech Havel, die in een veel hedendaagsere stijl eveneens handelt over de moeilijkheid van relaties en huwelijken. De eenakter voegt inhoudelijk niet veel meer toe aan de voorstelling, die dan al te lang wankelt op twee benen. Bakker en Heijdenrijk lijken geen duidelijke keuze gemaakt te hebben over waar ze het hoofdaccent wilden leggen. Wanneer ‘Mannetje met de lange lul' gaat over de universele grilligheid van de liefde, hadden ze minder ruimte hoeven geven aan het theaterspel tussen fictie en werkelijkheid. Andersom, want de voorstelling lijkt toch vooral dáárover te handelen, waren de illustrerende tekstfragmenten van Dumas en Havel wel erg uitgebreid. Het lijkt jammer genoeg alsof de oproep tot vrijheid van denken en handelen van La Mettrie heeft geresulteerd in een mentaliteit van ‘alles kan en mag' bij Bakker en Heijdenrijk. Wanneer de toeschouwer voldoende houvast heeft, kun je je als maker tegenwoordig alles permitteren: schijnbare chaos, stijlonvastheid, naaktloperij, saaiheid en zelfs irritatie. Maar wanneer er onvoldoende kader is, maak je het je toeschouwers knap lastig. En dan kan het gebeuren dat na twee uur theatraal jongleren met de ideeën van een eeuwenoude Franse filosoof een deel van het publiek de zaal voortijdig heeft verlaten. Hopelijk hebben Bakker en Heijdenrijk na de première hun materiaal nog wat bijgeschaafd, want na één mindere performance is bij Dood Paard zeker niet alle hoop vervlogen.

share