Een scherp voetlicht zet de scène blank. Ze vormen een komisch plaatje, de vijf obers in witte kostuums vooraan. Wat ongemakkelijk zitten ze bij elkaar gedrumd op een veel te klein en rommelig podium, en turen met spleetoogjes naar het publiek dat druppelsgewijs de zaal binnenkomt. Het decor van Onomatopee heeft vaagweg iets van een kombuis op een groezelig schip. Een houten raamwerk waaraan grote vellen papier zijn gehecht doet dienst als achterwand. In deze muur zitten klapdeuren met ronde raampjes. De helft van het publiek mag mee op scène. Er staan stoeltjes en tafeltjes tot op enkele meters van de acteurs opgesteld. Gevaarlijk dicht dus. Treiterig biedt Damiaan De Schrijver een late toeschouwer een lege stoel aan, op de eerste rij en pal voor het stel grijnzende obers. Al gauw wijzen vijf behulpzame handen in de richting van die ene lege stoel waar niemand nog durft zitten. Gegniffel loopt door de zaal. Is het stuk nu al begonnen of niet? Ook de acteurs lijken het niet zo goed te weten. Ze beginnen een schier eindeloos gesprekje over de vermoedelijke herkomst van de suiker die ze bij hun thee doen. Sigaretten worden steeds net niet aangestoken. Plots stelt iemand voor ‘om er nu maar eens mee te beginnen'. ‘Maar we zijn toch al bezig?' repliceert een ander naast hem.
Voor het hilarische Onomatopee bundelden twee Nederlandse gezelschappen, Maatschappij Discordia en Dood Paard, en twee Vlaamse, tg STAN en De KOE, hun krachten. Sinds Discordia, STAN en Dito'Dito in 1993 samen de tijdelijke ‘Belgisch-Nederlandse Repertoirevereniging' De Vere oprichtten, ontstond een vruchtbare traditie van gezelschapsoverschrijdende samenwerkingen tussen artistieke zielsverwanten, vaak met het invloedrijke Discordia als spil. De doorgaans fel gesmaakte voorstellingen die aan deze traditie ontsprongen, kunnen worden beschouwd als momentopnamen van een ‘gesprek' (over vormen, methoden, motieven) dat tot op vandaag doorloopt. De directe voorloper van Onomatopee, - even ademhalen - Vandeneedevandeschrijvervandekoningendiderot (2001), met Peter Van den Eede, Damiaan De Schrijver en Matthias de Koning in de titelrollen, verbond de acteertheorieën uit Denis Diderots Paradoxe sur le Comédien (1773) met slapstick, wat gek genoeg wonderwel samenging. De voorstelling opende met een metatheatraal overgangsritueel. Heel traag transformeerden de acteurs in hun personages: verstrooide intellectuelen uit de tijd van Diderot. Twintig minuten lang waren ze daarvoor in de weer met pruiken (de typische 'schaapjes' uit kostuumdrama's) en wolken talkpoeder als schmink. Ook daar was het stuk al 'bezig' voor het goed en wel begonnen was.
In Onomatopee wordt dit wachten op een toneelstuk tot absurde proporties opgerekt. Op het eerste gezicht ontbreekt ook elke motivatie voor dit eigenaardig lange 'voorspel'. Terwijl de obers van hun muntthee nippen, verglijdt de discussie over de suiker in een vurig meningsgeschil over de heilzame kwaliteiten van munt en water: ‘Teveel water drinken is niet goed, maar geen water drinken is ook niet goed.' Dan dondert er plotsklaps een schilderij van de papieren muur. In een oogwenk lopen de obers elkaar voor de voeten met een boormachine, lange meters elektriciteitsdraad en wel honderdduizend vijzen om het doek terug op zijn plaats te krijgen. Even later ligt alles op het piepkleine podium in een gordiaanse knoop en blijkt alle moeite tevergeefs. Kortom, je wordt als toeschouwer met absolute nonsens om de oren geslagen en het blijft maar duren. Al deze momenten drijven op situatiehumor en een geolied samenspel, vooral dan tussen het gouden trio Van den Eede, De Schrijver en de Koning, voor Onomatopee aangevuld met Gillis Biesheuvel en Willem de Wolf. Het wil maar niet komen, dat toneelstuk, maar wie maalt daar nu om? Ondertussen is het best gezellig in de 'wachtkamer'.
Toch wringt er iets. Onomatopee confronteert je met het verwachtingspatroon waarmee je als cultuurconsument de theaterzaal binnenstapt. Je hebt een kaartje gekocht en terwijl je je kostelijk amuseert, glijdt de tijd voorbij. Wat verlang je meer van theater? Inzicht? Een duidelijk maatschappelijk engagement? Een uitspraak? Of op zijn minst een stel scherpe vragen? Onomatopee biedt aanvankelijk niets van dat alles. De personages blijven zeer vlak en ongedifferentieerd. Hun dialogen overstijgen zelden het niveau van een praatje over het weer bij de bakker om de hoek, hoezeer ze de lachspieren ook mogen tarten. (De tekst lijkt geïmproviseerd, maar is in werkelijkheid voor een flink stuk van de hand van Van den Eede.) Het decor heeft op zijn beurt veel weg van een slecht zittend pak dat de acteurs voortdurend in hun bewegingsvrijheid hindert, met heel wat klungelige choreografieën tot gevolg. Veel te veel decorstukken op een veel te kleine oppervlakte, dat herkennen we van bij Vandeneede... De kinderlijke onbeholpenheid in de omgang met al die rekwisieten op de scène is echt aandoenlijk. Vaak lijkt het alsof de obers, van wie we doorgaans een sierlijke behendigheid gewend zijn, bepaalde objecten voor de eerste maal aanraken, zonder geleerd te zijn hoe je ze normaalgezien 'hoort' te gebruiken. En de actie kabbelt maar voort, schijnbaar zonder doel. Wat kan toch de bedoeling zijn van deze georkestreerde banaliteit?
Haaks op dit alles staat het grote spandoek dat ergens in het begin van de voorstelling tegen de witte wand omhoog wordt gezet, met daarop in drukletters: ‘De spontane beweging is weg uit de huidige neoliberale omgeving die de maatschappij op dit moment (nu eenmaal) is geworden.' Dus tóch een uitspraak? Het blijft echter onduidelijk of het kwintet zich achter dit statement schaart of niet. Verder wordt er in de voorstelling immers geen bijzondere aandacht aan besteed. Niettemin vallen alle zotternijen op de scène onder de ernstige schaduw van deze ene regel. Bij een cynische lezing van deze tegenstelling krijgen de lachsalvo's uit de zaal iets wrang. Is theater dan weinig meer dan een afleiding, een aangenaam, maar vrijblijvend tijdverdrijf, verstoken van maatschappelijke impact?
Onomatopee is echter niet defaitistisch, integendeel. Dat wordt pas duidelijk als voorbij wordt gegaan aan de letterlijke betekenis van de woorden en de handelingen op scène (zoals gezegd een flinterdunne laag). De aandacht verschuift zo naar het fenomeen van de taal op zich in al haar facetten: als een luchtig gesprekje, als een lied, als een tekst, als een leus, kortom als een rijk instrumentarium om de wereld vorm te geven en te begrijpen. Precies die functie gaat verloren op het wervelende keerpunt in de voorstelling. Wanneer de conversatie op een bepaald moment strandt, verdwijnen alle acteurs achter de papieren muur. Willem de Wolf is de eerste die terug opkomt met een gescheurde broek en een bloedende wonde aan zijn been. Één voor één dragen de vijf nu in een hels tempo plateaus aan met grote stukken varkensvlees, met een toren glazen, waarover haastig een fles bier wordt uitgegoten, ... Koppen van opgezette dieren scheuren door de papieren wand, waar al gauw niets meer van overschiet. Om kort te gaan: in een mum van tijd zwelgt de voorstelling in chaos. Je ervaart, zonder nog te begrijpen. Kenmerkend voor de Minardschouwburg zijn de twee tonelen die met de rug tegen elkaar aanliggen. Door de gaten in de wand krijgen we nu zicht op de tribune die zich erachter in het duister opricht. De obers nodigen het publiek uit om door de muur te stappen. Wanneer iedereen een zitje heeft weten te bemachtigen, begint iets wat zich misschien nog het best als een ‘dada revue' laat omschrijven. Elk van de vijf obers draagt om beurt korte teksten voor, grotendeels klankgedichten. Het hoogtepunt is de onsamenhangende woordenstroom die uit Damiaan De Schrijver opborrelt, vol onomatopeeën, fragmenten van kinderwijsjes en tv-tunes. Dit destructieve taalgeweld herinnert aan klankgedichten als Hugo Balls Karawane of het bekendst van al, Kurt Schwitters' Ursonate, die ook enkel dankzij een overtuigende vertolking tot leven kwamen. In de ogen van de dadaïsten, wantrouwig tegenover alle culturele verworvenheden sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, had ook de taal haar onschuld verloren. De dadaïstische poëzie was een poging om haar van nul af te herdenken. 'Destructie' ging steeds met 'heropbouw' gepaard. Over zijn gedichten schreef Hugo Ball:
‘With these sound poems we should renounce the language devastated and made impossible by journalism... We should stop making poems second-hand; we should no longer take over words (not even to speak of sentences) which we did not invent absolutely anew, for our own use.' (In: MELZER, Annabelle, Latest Rage the Big Drum: Dada and Surrealist Performance, UMI Research Press, Michigan, 1976, p.62.)
Dit soort wantrouwen delen de makers van Onomatopee met de dadaïsten. Het plaatst het spandoek bovendien in een heel ander daglicht. In een interview met De Standaard (5 september 2007) verklaarde Peter Van den Eede: ‘Een slogan kon ooit heel geruststellend zijn, (...) maar vandaag is een slogan het sein om wantrouwig te worden.' De wrange vanzelfsprekendheid die bijvoorbeeld in de woorden ‘nu eenmaal' (die fijntjes tussen haakjes staan) schuilt, toont aan hoezeer de taal soms heel subtiel wereldbeelden en maatschappelijke attitudes kan beïnvloeden. Ze werd ons ook van kindsbeen af aangeleerd: voortdurend spreken wij de woorden van anderen. In Onomatopee overstemt het enthousiasme het wantrouwen. Met dadaïstische zwier tracht de voorstelling terug te keren in de tijd om op zoek te gaan naar de oorsprong van de taal, of in de woorden van de makers: ‘de anatomie van de onomatopee'. Hoewel het onmogelijk is om de taal af te leren, kunnen we in de beslotenheid van de theaterzaal misschien een glimp opvangen van hoe we opnieuw zouden kunnen beginnen. Komt de voorstelling net daarom zo aarzelend op gang?
Onomatopee is een gedurfde trip, een zuiveringsritueel, een doldwaze en intelligente, politieke en poëtische voorstelling voor en achter de schermen van de taal. Ze bewijst dat 'politiek theater' niet altijd hoeft te rijmen met 'politieke uitspraken doen op het toneel'. Er vallen geen harde woorden aan het adres van George W. Bush of andere demonen, noch wordt er geïroniseerd, medelijden of verontwaardiging opgewekt. De maatschappijkritiek van Onomatopee heeft in die zin geen welbepaalde focus. Eerder is zij een kritisch 'bad' waarin je als toeschouwer wordt ondergedompeld, een mentale ruimte waarin niets nog vanzelfsprekend is, de woorden noch de eenvoudigste handelingen. Je bent er wat duizelig van achteraf. Na het applaus nemen de obers afscheid van de toeschouwers die opnieuw door de ravage moeten stappen om de theaterzaal te verlaten. Je móet wel terug naar de foyer. In Onomatopee kan je niet blijven.