One way ticket naar de onderwereld Les in hysterie, Toneelgroep Ceremonia & theaterMalpertuis

Auteur: Evelyne Coussens

Sinds Vlaanderen midden de jaren negentig het ‘beste bewaarde theatergeheim' ontdekte, viel de Gentse theatermaker Eric De Volder meermaals in de prijzen. De bekroningen verzilverden niet zelden zijn talent als toneelauteur: in 2003 kreeg De Volder de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor toneelliteratuur, in 2006 werd hij genomineerd voor de Taalunie Toneelschrijfprijs, in 2007 sleepte hij de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies in de wacht. En in 2008 maakt de veelgeprezen auteur plots Les in hysterie, een stuk zonder ook maar één gebenedijd woord. Hoe is het zo ver kunnen komen?

Voor Les in hysterie vertrekt De Volder zoals vaak bij het kleine, anekdotische verhaal. Twee koppels ontmoeten elkaar. Bij het ene (Ineke Nijssen en Hendrik-Hein Van Doorn) is het liefdesvuur nog niet gedoofd, het andere (Tania Van der Sanden en Johan Knuts) loopt gebogen onder verkilling en sleur. In hun huis staat nochtans een wieg - een kind (Bob De Moor) verandert alles, en niet altijd ten goede. Een gezamenlijke maaltijd legt de verhoudingen bloot. Een al te nadrukkelijk uitgestoken been maakt iets wakker in de nieuwbakken vader. Misschien heeft hij zijn plaats in bed verloren - veel mannen gaan vreemd na de geboorte van hun eerste kind. Wanneer de bezitster van het been zich krols aanbiedt, weet de vader met moeite te verzaken aan het vlees. Het blijft bij proeven, met een gulzige slok uit de kom soep die op haar buik balanceert. Daarna laat hij haar achter, het brouwsel dampend in haar schoot. Is gesublimeerde seks ook overspel?

Het is de moeder van het kind die de aanzet geeft tot de noodlottige afwikkeling, vaste prik in het devolderiaanse universum. Hier stokt de dramaturgie even, want in de reeks korte scènes die de peripetie voorafging was de spanning tussen de moeder en haar minnaar niet geïnstalleerd, zodat de plotse overgave aan het overspel aanvoelt als een onnatuurlijke versnelling. Opnieuw is ‘de daad' suggestief en laat De Volder in het midden in welke mate de liefde geconsumeerd wordt. Feit is dat de ontdekking ervan de personages een one way ticket naar de onderwereld bezorgt, nogal uitdrukkelijk geïllustreerd door Ad Cominotto's score van brekend glas.

Twee figuren schragen de voorstelling, en zoals wel vaker voorkomt bij De Volder gaat het om de vader en de zoon. Johan Knuts speelt in Les in hysterie een titanenrol. Op het eerste gezicht schrijft hij zich in in een jungiaanse traditie van tirannieke vaders waarvan Philemon Meiresonne uit Nachtelijk Symposium het beste voorbeeld is, maar zijn brute gedrag is het gevolg van onvermogen, geen wreedheid. Hij is het soort man dat feestelijk een glas wil aantikken, maar het kapot slaat. Die met zijn lijf geen blijf weet, zodat elke liefdevolle omhelzing uitmondt in een krampachtige worsteling. Het vrouwelijke verwart en confronteert hem. Veelzeggend is zijn heftige reactie op een onschuldig spelletje tussen moeder en zoon, waarbij haar in elkaar gehaakte vingers het kind een ondeugende blik bieden op het vrouwelijk geslacht. Achteraf wrijft de vader frenetiek de vingers schoon van de kleine, om ze te ontdoen van die ‘besmetting'.

De rol van Bob De Moor is opmerkelijk: zachtjes kraaiend ligt hij in z'n box, stille toeschouwer of brabbelende commentator. Een kind in de schoenen van een heel Grieks koor: tevergeefs trachten z'n bezwerende fluisterwoordjes het onheil af te wenden. Hij is nog niet binnengestapt in de talige wereld die hem voorgoed weghaalt uit die andere, symbiotische. Het ‘spreekt' nog vanuit die andere wereld, en sluit zo aan in het rijtje van Christa, de zwakzinnige dochter uit Zwarte vogels in de bomen, Mariaatje uit Vadria en de Scheve Dochter uit Au nom du père. In het kind ligt onschuld maar ook wijsheid verscholen, want De Moor heeft zich het gezicht aangemeten van een oude man. Daarmee bevindt het zich zowel aan het begin als aan het einde van de levensdraad - kind zijn en kinds zijn krijgen van De Volder dezelfde status, als zijnstoestanden van ‘zieners'. De Moors koddige interventies hebben ongetwijfeld ook een ontladende functie: ze halen druk van de ketel. Ironisch, want eigenlijk is dat kind de meest tragische figuur uit Les in hysterie. Al vroeg in zijn jonge leventje maakt hij kennis met eros en thanatos: het spelletje met de vingers gunt hem een blik op het ene, niet veel later is hij getuige van het andere.

In een laatste, magistrale scène slaat de hysterie naar binnen. De eettafel, nucleus van het gezin, baadt in bloedig rood, daarbuiten heerst enkel gifgroene jaloezie. De vrouwen worden in de getuigenbank gedwongen, het kind ingedekt, het hoofd van de rivaal bedekt als voor een doodsvonnis. De slepende passen van de vader worden looppas, het lopen een pompende ren, die hem in diagonalen over de scène drijft. Het is een beweging die veel wegheeft van een liefdesspel, maar eentje met dodelijk gevolg. Hijgen gaat lijken op lachen, op huilen, op klaarkomen. Op het hoogtepunt van pijn en genot vindt de executie plaats. In de lege verslagenheid die daarop volgt - omne animal post coïtum triste - breekt desondanks het leven door.

Het ontbreken van taal
‘Het is altijd op hetzelfde plekje dat het jeukt', zo verwoordde Johan Knuts de steeds terugkerende fascinatie van Eric De Volder voor van de kleine mens. Iedere kunstenaar heeft slechts één verhaal, dat hij telkens opnieuw tracht te vertellen. Bij De Volder is elke voorstelling een poging om stem te geven aan die kleine mens. Maar hoe de stemlozen stem geven zonder een zweem van taal? Wat als man en vrouw elkaar niets meer te zeggen hebben, maar naar binnen plooien in een geluidloze schreeuw?

Het woord biedt geen verlossing meer, dus is het meer dan ooit de muzikant, choreograaf en beeldend kunstenaar De Volder die spreekt. Naast de score van Ad Cominotto creëert De Volder - bij gratie van de nieuwverworven taalstilte - zijn eigen muziek, van het soort dat weemoed oproept: het schrapen van stoelpoten, het tikken van lepels in soepkommen, het amechtige hoesten van een rokende vader. Daarnaast is het lichaam bij uitstek drager van de vertelling. ‘Door te dansen schud je een verhaal uit je lijf', zei De Volder ooit, en het verhaal dat uitgedanst wordt in Les in hysterie is er een van onmacht. Stijf als de poppen uit Au nom du père lijken de acteurs gestuurd door de onzichtbare touwtjes van hun lot. De Volder sculpteert een landschap met hun lichamen, maakt ze ondergeschikt aan de schamele voorwerpen in de ruimte: ze plooien mechanisch naar tafel, stoel, een ander lichaam. De macht van de voorwerpen was nooit groter. Stoelen zonder zittingen worden klemmend marteltuig, obscene schandpaal en vergeetput. Soepkommen een vrouwenschoot. Een spijltje uit een babybox een moordwapen.

Het feit dat De Volder de taal verlaat valt te interpreteren als een verslechtering van de condition humaine. In vorige producties was de taal nog in ontbinding, getransformeerd tot zingen of hulpeloos stotteren. In Les in hysterie zwijgt ze helemaal. ‘Zwijgen is een terugtocht uit de maatschappij, een verkies van elk vitaal verlangen om mens te blijven', schrijft Ceremoniadramaturge Ellen Stynen in Dansen met de schaduw van het onbewuste[1]. Het kind staat op het punt te spreken, maar je kunt je afvragen of het, gezien de omstandigheden, ooit een ‘waar woord' zal uitbrengen.

Of toch. Niet alle hoop is verloren, en opnieuw is het kind de sleutelfiguur. Bijna gelijktijdig met het moment waarop een leven wordt genomen, zet het z'n eerste pasjes. De zorg waarmee De Volder dit slotbeeld heeft gecomponeerd is veelzeggend. Werd het kind bij de première in z'n voortgang nog geholpen door de moeder, brengt De Volder verder in de speelreeks een wijziging aan: het staat, uit de schaduw van elke bloedverwant, volledig zelfstandig op eigen benen. In dat ene beeld, waarin de oerkracht van het leven besloten ligt, opent zich een mogelijkheid tot ontsnapping. Heeft Eric De Volder ooit een prijs gekregen voor zijn beeldend werk? Dan wordt het de hoogste tijd.

 

share