1.
Sister bekijken is je als toeschouwer afvragen wat je weet en wie je bent - nog voor de voorstelling begint. Sister werd gemaakt door Vincent Dunoyer, in zekere zin voor Anne Teresa De Keersmaeker, die halverwege de voorstelling opkomt. Haar oeuvre - dat van Rosas - is het basismateriaal waaruit Sister is opgebouwd. Op die manier zijn er twee uitersten te bedenken in het spectrum dat door het ‘intended audience' van Sister wordt uitgetekend: aan het ene extremum bevindt zich Pieter T'Jonck, waarschijnlijk de grootste Rosas-kenner denkbaar (getuige ook zijn stuk ‘Het leven achter de foto's. Over Sister van Rosas' in Etcetera 108); aan het andere extremum staat een waarschijnlijk fictieve blind dater die nog nooit van Rosas heeft gehoord.
Sister is, met andere woorden, een voorstelling die enerzijds het ‘corpus' van Rosas-voorstellingen verwerkt, er haar bestaan aan dankt en ‘oplost' eenmaal buiten het web waaruit het geweven is; maar het is anderzijds ook een voorstelling die op zichzelf wil staan, die een zuiver, ruw object wil zijn, als een komeet die uit de hemel is gevallen, op barre grond, zonder relaties, zonder papieren, zonder afkomst. Elke beschouwing over of van Sister ontdubbelt zich volgens die vraag en haar extreme antwoorden: wie is de toeschouwer? Wat haalt de toeschouwer uit zichzelf, dat wil zeggen: uit het ‘zelf-van-voor-de-voorstelling', of uit het ‘zelf-van-tijdens-de-voorstelling?' Is zijn leven samen met de voorstelling opnieuw begonnen, of loopt het ‘eeuwige leven' in en weer uit de voorstelling door, en wordt het ‘slechts' kort op een voetstukje gezet? Het zijn vragen die elke kunst stelt, maar in Sister worden ze als het ware op een kwadratische manier gethematiseerd.
2.
Sister laat zich - en dat is het wonderlijke - eenvoudig samenvatten. Helemaal aan het begin - het publiek praat nog en installeert zich - worden dia's geprojecteerd op een scherm tegen de achterwand van het podium. De foto's tonen poses en fragmenten van bewegingen, gebracht of uitgevoerd door een vrouwelijke danser. Vervolgens komt er een man in het duister van de scène staan. Er wordt nu een video getoond, van een andere man die danst of het althans probeert. Als de lichten - een reeks buislampen rechts bovenaan het podium - in werking treden, begint de ‘echte' dans, nu en dan onderbroken of aangevuld met een aantal andere, korte films, met ‘nieuwe' bewegingen, of zelfs een zangstukje. De man op het podium wordt daarna vervangen door een vrouw in een kort strak jurkje, die ook solo danst, hoewel ze soms geholpen wordt door de man. Ze doet haar schoenen met hoge hakken uit, ze zegt iets, ze lacht, ze blijft dansen. Er speelt muziek. De voorstelling eindigt met een nieuw kort filmpje: weer een man die danst, en uiteindelijk naar de camera en het publiek komt, en zwaait en zegt: ‘Have fun with it.'
Er is echter niemand die Sister op deze manier zal ervaren - met uitzondering van een volstrekt geheugenloze toeschouwer, die niet weet wat hij tien seconden, tien minuten, tien jaar eerder deed of zag. Wij, daarentegen, ‘herinneren' ons dingen, zaken, beelden, uitspraken, we geven ‘betekenis' aan wat we zien en plaatsen het in een kader. Wie nog nooit iets van Rosas zag, heeft het aanloopje van de fotoreeks nodig, en dat komt zo snel dat het voorbij kan zijn vooraleer men er erg in heeft. Uiteindelijk liggen hiermee wel alle kaarten reeds op tafel. Dit zijn letterlijk de bouwstenen waaruit Sister, waaruit de dans van Vincent Dunoyer, en later ook die van Anne Teresa De Keersmaeker, is opgebouwd. Wat volgt is - op korte termijn - namelijk een inkleuring, een verwerkelijking, een dimensionalisering van die eerste beelden - het zijn herinneringen die substantie krijgen, of liever: het zijn indrukken die net herinnering worden. Bij gratie van de herhaling en de repetitie, of eerder nog: bij gratie van de fout en de afwijking. Het doet denken aan wat Beckett over Proust zei: niemand had een slechter geheugen dan hij. Proust! Een slecht geheugen! De auteur van A la recherche du temps perdu! Maar het klopt: men kan slechts herinneringen aanmaken als men zichzelf oneindig veel fouten toestaat, of anders: wie het verleden foutloos wil onthouden, die herinnert zich niets. We zien in Sister dus hoe de ‘echte' Dunoyer op het podium zich het verleden toe-eigent door de video-projectie na te spelen (en die video-projectie was zelf al gebaseerd op het naspelen van foto's). Of hij daarbij al of geen fouten maakt, is geen productieve vraag. En kan De Keersmaeker vervolgens een nieuwe dans dansen, als die dans die is gemaakt op basis van haar eigen bewegingen uit het verleden? Opnieuw: de verdubbeling van klassieke vragen, de zusters van bestaande gedachten, herhaling in andere lichamen.
3.
Sister wordt voorafgegaan door een zorgvuldige constructie, wat niet wil zeggen dat het een geconstrueerde voorstelling is. Er is als het ware een systeem bedacht dat zowel de dans zelf als de interpretatie, richting en vorm kan geven zonder hen te bepalen. Dat systeem verloopt veelkleurig en multimediaal, maar het verloopt zonder uitzondering diachroon: er gebeurt veel, en op verschillende manieren, maar het gebeurt nooit tegelijkertijd. Dit ‘tijdelijke' aspect maakt Sister op een bijna ouderwetse manier ‘narratief' en toegankelijk - waar het om draait is niet zozeer wat we zien, als wel wat we ons herinneren gezien te hebben. Om de twee ideële en perfect tegenstelde kijkers opnieuw aan te wenden: voor Pieter T'Jonck doet Sister vooral een beroep op het langetermijngeheugen; voor de volstrekte leek is Sister een oefening in het herinneren op korte termijn.
Sister als herinneringsarbeid op lange termijn, geeft de gezichten namen, de woorden betekenis, de bewegingen een (mogelijke) afkomst. De voorstelling wordt een analytisch spel met - specifiek - het oeuvre van Rosas of - algemener - de westerse ‘omgang' met een artistiek oeuvre. Wat betekent het om ‘invloedrijk' te zijn als artiest, en tientallen dansers uit de internationale scene gevormd te hebben - letterlijk of langs de omweg van het werk? Op welke manier kan die invloed verwerkt worden tot ‘nieuwe kunst' - door een ‘leerling' als Dunoyer die zich in eerdere voorstelling al in dit soort kwesties bekwaamde, maar ook door de ‘pionier' van die kunst zelf? Wat betekent het om überhaupt werk te maken, om het weggevoerd te zien worden, om het afscheid ervan opgedrongen te krijgen of toe te staan, om te zien hoe het vreemd wordt en hoe het dan ondanks alles toch weer terugkeert?
4.
Sister kent één moment waarop de voorstelling breekt, en waar, paradoxaal genoeg, al het voorgaande en het bovenstaande samenkomt. ‘Et puis,' schreef Paul Valéry in L'âme et la danse, ‘instant où quelque chose doit se rompre dans l'âme, dans l'attente, dans l'assemblée... Quelque chose se rompre... Et cependant, c'est aussi comme une soudure.' Het is een moment waarop één gebeurtenis in de dans onverschrokken de aandacht opeist, zelfstandig en onontkoombaar wordt - en daarna de sluier die over de gehele voorstelling lag opgetild blijkt te hebben. Dat moment ontstaat ook dankzij een zeer goed gekozen soundtrack. Als De Keersmaeker ongeveer halfweg is in haar eigen lang uitgesponnen, interpreterende herhaling van de bewegingen van Dunoyer, klinkt plots Ständchen (D.920), een lied dat behoort tot de postume nalatenschap van Franz Schubert, en dat relatief onbekend is binnen zijn oeuvre. Het lied begint met een bijna serieel herhaald pianomotief (het lijkt in de eerste noten van Reich te kunnen komen), waarop een sopraan een tekst van Franz Grillparzer zingt - een ‘Ständchen', een serenade - die woord per woord door een mannenkoor wordt herhaald. ‘Zacht twijfelend, in de nachtelijke stilte van het duister, staan we hier/met licht gebogen vingers, zacht/kloppen we op de deur van onze dierbare vriend/maar nu, stijgend, zwellend, oprijzend, met vereende stem/luid, roepen we uit in volle intimiteit:/slaap niet wanneer de stem van het gevoel spreekt.'
Terwijl deze muziek speelt, is er dus één moment waarop De Keersmaeker tijdens haar dans de rug naar het publiek keert, en met hoog opgetrokken schouders, bijna brutaal, een beetje onhandig, een reeks brede passen vooruit zet. Hier breekt inderdaad het cerebrale, om niet te zeggen kunsttheoretische karakter van Sister, en metamorfoseert het in een emotionele, hoogst persoonlijke of zelfs existentiële aangelegenheid. De toeschouwer, of het nu gaat om een kenner of om een totale leek of om mij, ziet hoe de vertelstof van de opvoering in zijn richting reikt. De stem van het gevoel spreekt, en klopt zacht maar met luide stem aan. De problematiek van het oeuvre, van de filiatie, de opvolging, de invloed, de interpretatie, de herwerking, de creatie, de herinnering - het worden aspecten van één en dezelfde zware maar uiterst menselijke zaak. Het gaat niet meer om de last of de zegen van een uitzonderlijk oeuvre, maar om de last of de zegen van elk leven. Het is een tragische en net daarom ontzettend dappere en breekbare samenlegging van motieven, die de interpretatie duidelijke zinnen laat spreken: ‘Mijn verleden is niet van mij... maar het is ook niet helemaal van jullie... ik weet niet waar dit lichaam van mij me zal brengen... niemand is van zichzelf... soms weet ik wat het betekent, en soms ben ik het vergeten... ik weet ook niet precies wat ik vijf minuten of vijf jaar geleden heb gedaan... maar het is er wel, want anders zou ik, hier, nu, niet zijn.'
5.
Sister is in alles ontdubbeld, maar zoals de titel aangeeft: zusters lijken nooit perfect op elkaar. Ook na dit ontroerende, bijna pijnlijke moment volgt een reeks ironiseringen, als een glimlach door tranen heen. De Keersmaeker lacht, ze spot een beetje met het spelletje dat Dunoyer heeft bedacht, maar ze lacht ook met haar eigen betekenissen en bekentenissen, alsof ze eveneens voor zichzelf een ander is die slechts kan toekijken. Dunoyer moet haar helpen, en een beetje balorig staat ze toe hoe hij enkele bewegingen ‘toont', zodat ze de draad van de opvoering - een draad die initieel van haar is of zou moeten zijn - weer kan opnemen. De ‘open doekjes' die volgen, maken wat dat betreft ook deel uit van de voorstelling, omdat ze aansluiting vinden bij het spel van choreograaf (Dunoyer) en danser (De Keersmaeker). Want wie is de echte ‘bedenker', wie is de ‘regisseur' van wat we te zien hebben gekregen?
De indruk kan ontstaan dat Sister een al te cerebrale, een al te postmoderne puzzelstukoefening is, aan het einde van de kunst, in een tijdperk waarin slechts eeuwigdurende herhaling rest. Dat is echter buiten het niveau van de opvoering gerekend, en buiten de geconcentreerde bewegingen van de lichamen op scène. Ze slagen erin om de bijna onachterhaalbare metamorfose, van performer in toeschouwer, van intentie in interpretatie, van kunst in leven, van leerling in meester, op te tillen naar een sublieme nutteloosheid.