Voor alles tonen klassiekers de tweestrijd in elke mens tussen zijn persoonlijke en zijn publieke banden. Tragische helden, van Agamemnon tot Macbeth, ontstaan op de drempel tussen binnens- en buitenskamers, waar familiale kwesties maatschappelijk worden. Waar het hart enkel tot spreken kan komen via het hoofd. Sophocles' Antigone is van dat verbale gevecht het summum. Wat kunnen jonge spelers uit het harde Menen, zonder acteeropleiding, daar nog aan toevoegen?
Noemen we Antigone een topstuk over de innerlijke menselijke tweestrijd, dan is dat metaforisch bedoeld. Objectief gezien hebben de antagonisten van deze antieke tragedie juist opvallend weinig last van twijfel. Zoals vele Griekse helden kampen ze met een blindheid die pas bij de ontknoping enige verscheurde inzichten zal opleveren. Koning Kreoon houdt - na een bloederige raid tegen zijn Thebe - categoriek vast aan zijn bevel om niet te raken aan het lijk van verrader Polyneikes, die met de vijand meevocht tegen onder meer zijn bloedeigen broer Eteokles. Ook Antigone, zus van beide dode kemphanen, laat zich onder geen beding afbrengen van haar plan om die provisorische begrafenis toch te organiseren en het lijk met zand te bedekken tegen de kraaien. Ze heeft haar rouw vertaald in een rigoureus activisme, een noodzakelijke drang die zich wel bespreken, maar niet bepraten laat. Het levert een van de meest dialectische teksten uit de hele theaterhistorie op. Samen bieden stijfkoppen Kreoon en Antigone een spiegel van de menselijke tweestrijd waarvan sprake: die tussen de wet van de vader (het recht, de machtsorde, het landsbelang) en die van de moeder (het familiale, het menselijke respect, het individuele). Zowel Kreoon als Antigone vormen daar uitersten in.
Goed bestuur
Gek genoeg begint de Antigone-bewerking van het Menense theatergezelschap De Figuranten met een soort derde standpunt. Het is dat van Ismene, zus van Antigone. Karel Van Oudenaerde, de mannelijke acteur die haar vertolkt op hakschoenen, roept de gruwelen van de voorbije oorlog op door de simpele kartonnen box die hij vasthoudt als de doos van Pandora, af en toe open te klappen voor geluiden van moord, verkrachting, geschreeuw. Daartegenover bepleit hij de teruggekeerde rust, de vruchtbare menslievendheid van een wereld in balans. Laat de oorlog rusten. Alleen bevindt zijn Ismene zich op dat wankele kantelmoment waarop ook de Oresteia en vele andere oorlogsdrama's beginnen: de openbare strijd is voorbij, maar de wonden zijn zo diep dat die strijd binnenskamers gewoon zal doorlopen, tot er slachtoffers onder verwanten vallen. Bij De Figuranten gebeurt dat niet ten paleize, noch in een schouwburg, maar wel buiten op locatie, tegen de schrale achterbouw van een eenvoudig rijtjeshuis in Menen. De publiekstribune kijkt vanuit de tuin tegen die gevel aan, waar vormgever Jozef Wouters vanuit een achterraam op de eerste etage een houten buitentrap naar beneden heeft laten komen. De scène wordt op deze locatie gevormd door een betonstukje van drie op drie meter, tussen de struiken die als woekerend leven de destructie alweer zijn te boven gekomen. Natuur tegen cultuur is precies de strijd die hier in Antigone, geen seute geleverd zal worden.
Niet toevallig duikt Antigone op vantussen het groen. De wijze waarop Tamara Seynaeve met schietende ogen halfgesmolten frisco's begint op te eten terwijl de stukken ervan op de grond pletsen, zet meteen de toon. Antigone, geen seute wordt vuil, expressionistisch theater, waarin gesmodderd en geslempt mag worden. De rolinvulling is net als het hele stuk van Sophocles flink uitgekristalliseerd: meteen wordt in een dialoog tussen beide zussen hun tegenstelling duidelijk. Terwijl Ismene voluit de aanvaarding van Kreoons macht predikt, openbaart zich in Antigone meteen de overtuiging van een zelfmoordterroriste. Ze wil - tegen Kreoons eisen in - kost wat kost haar broer begraven. ‘Laat me radicaal zijn. Laat me misschien de dood ingaan. ‘k Ben geen lafaard. Gij zijt ne lafaard, gij.' Vlak voor de neus van het publiek weet Seynaeve te fascineren met een bijzondere mengeling tussen de half manische gedrevenheid waarmee Griekse vrouwen eeuwenlang zijn uitgebeeld, en toch een zelfzekere ingetogenheid die bijna naar het utopische neigt, naar juist een verzoening van alle leed. Je vat voor deze Antigone meteen een onbewuste sympathie op.
Na de licht hilarische intrede van haar lief Haemoon (Patrick Vandekerckhove) in de veelkleurige onderbroek van een seksbeluste macho, is de afdaling van diens vader, koning Kreoon (Pieter Van Oudenaerde) veel minder uit op de verovering van het publiek. Uiterlijk wel: hij belooft het een vet feestmaal ‘met crevetten en champagne' ter ere van nationale held Eteokles. Maar onder de lijnen wordt dat uitnodigende heersersgebaar er vanzelf een van een tiran waar je je stekels tegen opzet. Zo is het ook bedoeld: in Kreoons appèl aan ‘orde en goed bestuur', ‘respect voor onze taal en onze grenzen' moet hij politici afspiegelen aan de foute kant van de rechterzijde. Gecombineerd met een licht verschil in spelkwaliteit tussen de vertolkers van Antigone en Kreoon, doet dat Sophocles' goedbewaakte tragische balans tussen persoonlijke en politieke wetten hier snel overhellen in het voordeel van de vrouwelijke underdog. Ook de sympathie van de makers ligt bij Antigone.
Doorstroomproject
Misschien is dat niet verwonderlijk, als je weet dat Antigone een sociaal-artistieke voorstelling betreft waar maandenlang aan gewerkt is vanuit gesprekken die professioneel gastregisseur Ivan Vrambout (van Action Malaise) met zijn vijf jonge spelers gevoerd heeft over rouwverwerking, oorlog, radicaliteit, discipline. De acteurs hebben de voorstelling mee gemaakt, zoals dat gebruikelijk is sinds het ontstaan van De Figuranten als creatieve werking binnen het jongerenopvangcentrum ‘passage 9', dik tien jaar geleden. Al is die werking nu verzelfstandigd tot een structureel vierjarig sociaal-artistieke organisatie (met sinds januari 2008 ook een eigen huis), die basisfilosofie van participatie en culturele emancipatie is nog steeds dezelfde als in al die jaren dat De Figuranten via workshoptrajecten tot toonmomenten kwamen in het Menense cultureel centrum 't Gelandt. Je zou zelfs kunnen zeggen dat die geest van collectieve creatie nu méér kansen krijgt. Net als de Unie der Zorgelozen in Kortrijk kiezen De Figuranten ervoor om - naast diverse doelgroepprojecten met sociale instituties - vooral te werken met een vaste (hoewel open) groep uit de brede wijkomgeving. Elk jaar zie je spelers groeien in spel, expressie en vooral menselijke overtuigingskracht. Antigone is wat ze bij de Unie een ‘doorstroomproject' zouden noemen: een hoger mikkend artistiek project met de meer ervaren jonge spelers die zich door de jaren binnen de beweging ontbolsterd hebben. Ze weten wat theater spelen is. Ze hebben de impact van hun woorden en handelingen op een publiek leren aanvoelen en doelmatig gebruiken.
Het resulteert hier in een straf hoogtepunt binnen de nog jonge geschiedenis van zowel De Figuranten als het sociaal-artistieke veld als geheel, en wel in de combinatie van twee kwaliteiten. Vooreerst is er de artistieke trefkracht van Antigone. Je ziet ze niet enkel in de slim gevonden heftigheid waarmee de ontwikkelingen even over de helft exploderen in een champagnespuit- en tomatengooifeest, maar vooral in de veel ingetogener monologen recht in de ogen van de toeschouwers. Het toont een uitgebalanceerd repetitieproces en een regie die dat sterk heeft weten vertalen naar ritme, beeldkracht en essentie. De spelers lijken geen veiligheid meer nodig te hebben, en kunnen het dus voor het publiek zelf vervaarlijk dichtbij maken. Je voelt een spanning die zeldzaam intens is, en die Antigone, ook dankzij de bloederige metaforiek van zoveel tomaten, zonder moeite weer actueel articuleert.
Al heeft die waarachtigheid ook met de tweede kwaliteit van deze voorstelling te maken. Ze slaagt in een eigen uitspraak, een eigen ‘inwonen' van Sophocles' al zo vaak opgevoerde tekst. Het anti-autoritaire verzet van Antigone tegenover de gevestigde macht krijgt - zonder dat dat ergens expliciet uitgesproken wordt - een sociale weerklank. Bijna onbewust vertellen de Figuranten het verhaal van een bredere margejeugd in haar aanvaringen met de wetten en afspraken in een maatschappij die anderssoortig gedrag indijkt, in haar confrontatie met de voortdurende oordelende macht van de publieke opinie en met de concrete vertaling daarvan in uniformpjes van politie, sociaal werksters, leerkrachten. Het scherpst openbaart die tweede laag zich bij de Kreeons soldaat Leonidas (Mathieu Tierrie), gedwongen bewaker van het verraderslijk. Plots keert hij zich tegen het discours van zijn koning. ‘Ik wil geen ambras, geen dispuut, niks dat een oorlog kan wakker maken: ruiten inmsijten, scholen afbranden, families uit elkaar duwen, mensen hun knieën kapotslaan, d'ogen uitstekken, tongen afsnijden. Nee, ik wil niet vechten.' Bijna onmerkbaar glijdt een hedendaagse problematiek van kleine criminaliteit over in het iconische geweld van de Griekse tragedies, en wordt het zo hanteerbaar gemaakt, helpt het iets te vertellen wat in eigen woorden waarschijnlijk heel plat zou worden.
Zelfkritisch
Maar de ware ontvoogding van de sociaal-artistieke praktijk in Antigone toont zich wanneer naar het einde toe Ismene weer de bovenhand haalt. Ze is het Griekse koor dat één gezicht, één stem gekregen heeft. Met de gepijnigde uitdrukkingsloosheid van aanvaarding én rouw, die van haar het sterkst vertolkte personage op scène maakt, veegt zij de tomatenprut van tafel, borstelt die bijeen rond de gezelfmoorde lijken van Antigone en Haemoon, bedekt ze hen met het witte tafelkleed en becommentarieert ze hun tragedie met de ware mededeling van de hele voorstelling: ‘Zou ik alles opgeven? De mens zou dat soms een keer moeten kunnen. Alles wat je bepeist hebt weer overhoop smijten, in de hoop dat je iets nieuws vindt.'
Niet Antigone is voor De Figuranten de ware heldin, maar Ismene. In haar ogen, en dus in die van het publiek, wordt de radicaliteit van Antigone een spijtige uitwas van de hedendaagse meninkjesindustrie, van het graag gehanteerde zwart-witdenken. In dezelfde beweging is dat een subtiele zelfkritische uitspraak van de makers op waar vele Figuranten vanuit hun achtergrond mee kampen: het juiste aanvoelen van hoe je persoonlijke problemen en noden wel of niet publiek tot uiting laat komen. Onder de hele voorstelling speelt de onuitgesproken vraag waar de grens gaat tussen opkomen voor je individuele recht en je mee inschakelen in de maatschappelijke orde, alsook de vraag in welke mate ze zelf te radicaal zijn geweest. Hoe zich bewegen in een gemeenschap, kortom. Het antwoord blijft niet - zoals in veel vroeger sociaal-artistiek werk - steken in een uitspraak van ‘wij, de vergetenen', maar wordt een voorstel naar ‘jullie en wij, mensen'. In die zin snap je dat Reinhilde Decleir, die in Antwerpen met even kwetsbare spelers werkt, alleen nog wil kiezen voor klassieke teksten. Ze helpen dit soort spelers om hun eigen verhaal in te werken zonder noodzakelijk in een apart vakje te moeten blijven zitten. Om beter de drempel te nemen van het persoonlijke naar het publieke, kort gezegd. Maar wat in Antigone gebeurt, gaat nog verder. Nog meer dan Sophocles De Figuranten helpt, helpen zij deze klassieker vandaag te blijven spreken.