De Griekse tragediedichter Euripides schreef Ifigeneia in Aulis vlak voor zijn dood, in 406 voor Christus. De tragedie is een uitdieping van een episode uit de Ilias van Homeros: onder aanvoering van koning Agamemnon staat de Griekse vloot op het punt om uit te varen tegen Troje. In de zee-engte van Aulis wacht ze op een gunstige wind. Een orakel bepaalt dat Agamemnon en zijn soldaten pas kunnen vertrekken, als de aanvoerder zijn eigen dochter, Ifigeneia, aan de godin Artemis offert.
Agamemnon twijfelt, en hij maakt ruzie met zijn broer Menelaos, om wiens trots - met name zijn vrouw Helena - de Trojaanse oorlog dringend moet beginnen. Naar een idee van Odysseus hebben alle voormalige huwelijkskandidaten van Helena de eed gezworen om, mocht haar eer ooit op het spel komen te staan, ten strijde te trekken. Dat moment is aangebroken: de Trojaanse prins Paris heeft Helena geschaakt. De jaloerse en vernederde Menelaos kan niet langer wachten - maar zolang de dochter van zijn broer niet wordt geofferd, zit hij vast, samen met tienduizenden soldaten. Hoe moet Agamemnon handelen: als vader of als aanvoerder van zijn vaderland?
In zijn lange essay Het zwijgen van de tragedie heeft Stefan Hertmans dit soort van conflicten, samen met alle andere klassieke tragedies, min of meer ontoegankelijk verklaard in ‘ons' tijdperk. We leven zeker wel in tragische tijden (Hertmans haalt het voorbeeld aan van de ecologische bedreiging van de planeet zelf), maar lang niet meer in tragedische tijden, in tijden die zich nog laten uitdrukken door middel van de tragische kunstvorm. Een allesdoordringend ironisch besef, een onvermijdelijke relativering van alle leed, heeft ervoor gezorgd dat er geen externe objectiviteit meer voorhanden is zoals die in een mythische tijd bestond.
Dat de productie van zware tragedies, waarin hele naties, geschiedenissen en lotsverbintenissen op het spel komen te staan, onwaarschijnlijk is geworden, staat de appreciatie van de klassieke tragedies niet automatisch in de weg. Maar toch blijft de vraag: hoe kijken we naar zoiets ‘raars' en ‘ouds' als een tragedie, naar het ‘achterhaalde' verhaal van Ifigeneia in Aulis, naar dit conflict dat werkelijk van iedereen is (of was), dat in het publieke domein, door en voor iedereen - dus ook op en voor de planken - wordt (of werd) uitgevochten? En er blijft natuurlijk ook altijd een vraag net daarvoor bestaan: hoe ensceneren we Ifigeneia in Aulis; hoe wordt de tragedie in 2009 op de planken gebracht?
Mitrailleurvuur
De Amerikaan Robert Woodruff heeft Ifigeneia in Aulis geregisseerd voor Toneelgroep Amsterdam - op een manier die laat vermoeden dat het met onze doofheid voor de tragedie nogal lijkt mee te vallen. Vooreerst wordt de originele tekst (in de klassieke vertaling van Gerard Koolschijn) integraal, onverkort en onveranderd voorgedragen. Ook de koorstukken worden niet geschrapt, maar in het Grieks gezongen door zeven meisjes, terwijl de Nederlandse vertaling boven het theater op een tekstscherm te lezen valt. De acteursregie is sterk in de hand gehouden, van ogenblik tot ogenblik, wat leidt tot theatrale en gecontroleerde bewegingen en gebaren, die niet zozeer onnatuurlijk als wel ‘gepast' overkomen.
En toch wordt Ifigeneia in Aulis niet zomaar ‘historisch' gebracht, alsof Woodruff en Toneelgroep Amsterdam aanspraak hebben gemaakt op een ‘juiste' enscenering: zo moet het er toen hebben uitgezien, zo moet het gegaan zijn... Wat in deze voorstelling consequent uit het heden komt of lijkt te komen, zijn de dingen - het decor, de decorstukken, de kostuums. Nog voor er één personage op scène te zien is, springt er al een soort hoogtechnologisch noodhok in het oog, helemaal links: een witte, kogelvrije cabine op poten, waarop een blauw pulserend noodlicht prijkt. En de rest van het podium is gevuld met impactpoppen, met honderden, mooi in het gelid staande dummies, klaar om overhoop geschoten te worden. Wat vervolgens ook gebeurt: de start van deze Ifigeneia in Aulis wordt gegeven door mitrailleurvuur, in de richting van de colonne, weg van het publiek, alsof er iemand, een figurant, even zijn wapen uittest.
De kostumering van de vrouwelijke hoofdpersonages is op een tijdloze manier ‘chique'; de meisjes van het koor zijn dan weer gehuld in urban streetwear: brede loshangende riemen, industrieel gebleekte jeans, opzichtige make-up; de mannen dragen sobere, moderne legerkleding, en nu en dan zelfs een kogelvrij vest. Het is niet moeilijk om in al deze hedendaagse - en zoniet militaire dan toch expliciete - elementen, één grote verwijzing naar Irak te lezen. Woodruff laat in interviews ook geen kans onbenut om te benadrukken dat hij een ‘theatrale gebeurtenis wil creëren die veelzeggend is voor de tijd waarin we leven.' De eerste en duidelijke intentie van de makers is dus de volgende: Ifigeneia in Aulis is nog steeds brandend actueel... het is daarom niet nodig om één letter aan de tekst of aan de klassiek-theatrale opvoering ervan te veranderen... maar we kunnen de ‘actualiteit' van het stuk wel benadrukken door zeer expliciete, materiële en visuele verwijzingen in te voegen, naar Irak, hedendaags geweld, kogels, doden en voetvolk.
De vraag is echter: verwijst de actualiteit van de zichtbare dingen in Ifigeneia in Aulis ook naar een waarachtiger en diepgaander actualiteit? Het vertrekpunt is het menselijke lijden. Bij de oude Grieken kwam het leed, het absurde in elk mensenleven, van bij de goden. Die goden waren zelf al te menselijk, wispelturig en onuitstaanbaar, maar ze ‘regelden', als hoofdpersonages in de mythe, de orde van de wereld; ze beschikten wel degelijk over een scheppende autoriteit. Bij ons, zo kunnen we beweren, is er natuurlijk nog steeds leed en menselijk lijden, maar er zijn geen goden aan wiens beslissingen we dit zomaar kunnen toeschrijven; het leed kadert niet in een mythisch geheel, maar krijgt een absurd en onbegrijpelijk karakter, omdat we slechts denken vanuit het schouwtoneel van onze eigen schedelpan. Daarin, zoals Hertmans heeft betoogd, ligt de kern van het zwijgen van de tragedie - als er iets is dat ons leed verwoordt, dan is dat geen tragedie, maar een zwijgen, een onbenoembaar zijn, iets absurds en verstild.
Zieke eisen
Het grootste en interessante probleem van Ifigeneia in Aulis is daarom het lijden van Ifigeneia, dat er uiteindelijk toe leidt dat ze zichzelf opoffert. Haar vader laat haar overkomen naar Aulis, waar de vloot ligt te wachten, samen met haar moeder Klytaimestra. De grote held Achilles, zo beweert hij, is bereid met Ifigeneia te trouwen! Al snel komt het bedrog uit, en staan de gezinsleden in een driehoek tegenover elkaar: Klytaimestra, die maar niet kan begrijpen hoe een vader zijn dochter zou kunnen offeren; Agamemnon, die heen en weer wordt geslingerd tussen vaderlands- en vaderliefde; en Ifigeneia, die aanvankelijk niet erg goed lijkt te beseffen wat haar overkomt, en slechts weent om genade.
Nochtans zijn de argumenten van Agamemnon redelijk of alleszins doordacht: als hij zijn dochter niet offert, dan schendt hij het orakel, en zullen de wachtende Grieken zich toch tegen hem en zijn gezin keren: ‘Hier staan wij machteloos. Hellas moet vrij zijn, voorzover het van jou, kind, en van mij afhangt. Een Griek mag zich zijn vrouw niet door barbaren met geweld laten ontstelen.'
Na een laatste bezoek van Achilles, met wie ze had gedacht te zullen trouwen, komt de ommekeer van Ifigeneia: ze besluit dat het beter is dat ze zichzelf opoffert, dat ze met opgeheven hoofd naar het altaar loopt, eerder dan meegesleurd te worden door soldaten: ‘Als Artemis mijn lichaam wenst, zou ik, een sterveling, de godin dan in de weg staan? Dat kan toch niet. Ik geef Hellas mijn lichaam. (tegen alle Grieken:) Offert u, vernietigt Troje. Dat zal dan mijn eeuwig monument zijn, dat mijn kinderen, mijn huwelijk en mijn roem. Het is natuurlijk dat de Grieken heersen over de barbaren en niet de barbaren, moeder, over Grieken, want hun soort is slaaf en wij zijn vrij.'
Die plotse ommekeer van Ifigeneia is al eeuwenlang aanleiding tot zware discussies onder filologen. De tekst is alleszins géén zuivere nationalistische hymne, en juicht de beslissing van Ifigeneia om zich te onderwerpen aan het lot niet zomaar toe - het koor zingt meermaals over de ‘zieke eisen van de godin en van het lot'. Het martelaarschap van Ifigeneia (zij zal de Trojaanse oorlog ontketenen!) staat evenzeer in fel contrast met de reactie van haar moeder, die een leven lang (in andere tragedies) zal blijven proberen om zich op Agamemnon te wreken. Precies het gedwongen maar uiteindelijk door haar aanvaarde offer van Ifigeneia is onbegrijpelijk, en om aan dit ‘absurde' gegeven tegemoet te komen, en om te zien hoe erop gereageerd kan worden, beschikten de Grieken over goden en over tragedies.
Door structureel en inhoudelijk klassiek te zijn, en slechts aan de buitenkant eigentijds, werkt deze Ifigeneia in Aulis van Toneelgroep Amsterdam, vandaag, op twee manieren. Er is enerzijds het klassieke schouwspel van de reactie van mensen op onheil, als een laars in een mierenhoop - hier zichtbaar in de ontzetting van Ifigeneia of in de radeloosheid van haar moeder Klytaimestra. En anderzijds is er die even ontzettende consequentie van het bestaan en de macht van de goden, die misschien niet meer dan woorden zijn, voor wat wij het absurde of het zinloze noemen - maar het zijn sterke woorden, die zich niet zomaar laten relativeren. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer het verdriet van Agamemnon inderdaad zeer oprecht wordt; of wanneer de jonge Achilles, weifelend tussen overmoed en plichtsbesef, nooit helemaal transparant wordt in zijn houding ten opzichte van Ifigeneia. Zelfs al zijn het goden of zelfs al is het niets dat hier aan de touwtjes trekt - het blijft indrukwekkend.
En dan is er nog, tot slot, misschien wel het meest typerende element voor deze voorstelling: het koor. De koorstukken worden, zoals gezegd, wel gezongen maar niet vertaald. De Nederlandse tekst is zichtbaar op een scherm bovenaan - maar wie heeft er oog voor, als de meisjes zo mooi zijn en zingen? Het commentaar van het koor, altijd wat wisselend van kleur, babbelziek van mening, frivool van strekking, wordt onzichtbaar maar des te aanweziger. Zo wordt er aan een tijdloze kern geraakt, over alle spreken of zwijgen heen, voorbij betekenissen, uitspraken, conventies, mythen of actualiteiten - hier zingt de tragedie.
Christophe Van Gerrewey