A
Het werk van de Amerikaanse schrijver Paul Auster is relatief eenvoudig en herkenbaar. Het probeert westerse levens aan het eind van de twintigste eeuw een zekere vorm van mystiek te verlenen, door met talloze verhalen, en met verhalen-in-verhalen, aan te duiden hoe ongrijpbaar die levens steeds blijken te zijn. Het motto van Heraclitus dat Auster aan een van zijn vroege en beste boeken, The invention of solitude, heeft meegegeven, vat dat nog het best samen: ‘In searching out the truth be ready for the unexpected, for it is difficult to find and puzzling when you find it.' Niets is wat het lijkt, het leven zit vol onverwachte toevalligheden, alles ontsnapt. Op een oneerbiedige manier valt die filosofie nogal makkelijk tot een karikaturale formule te maken. Stel: iemand loopt over straat, en er valt, vlak voor zijn neus, een gigantisch blok beton te pletter op het voetpad. We zijn aan de dood ontsnapt! In de boeken van Auster is dat aanleiding tot oneindige reflectie over de zin van het leven, de onachterhaalbaarheid van het toeval, de muziek van het lot. Maar is het niet eerder een geval van verwaarloosbaar geluk? Bijna vermorzeld, maar net niet? Afkloppen en doorstappen. Auster trekt die illusieloze kaart niet. Heel zijn oeuvre kan gezien worden als een voortdurende poging om die onmeetbaarheid en onvoorspelbaarheid te beschrijven en te vatten, en tot een spel van zo diep mogelijk existentieel amusement te maken. Hij maakt de dwaalwegen van het existentialisme tot onderwerp van een indrukwekkende maar poëtische en veelgelaagde dwarse Hollywoodfilm.
Als Jurgen Delnaet en Rosa Vandervost van theatergezelschap De Tijd een voorstelling maken op basis van het oeuvre van Auster, is die toevallige gebeurtenis die ingrijpend had kunnen zijn, het eerste dat opvalt. Het is ook nagenoeg de enige theatrale geste die ze inzetten, omdat ze zichtbaar wordt als een beweging op scène die om betekenis vraagt. Een drietal keer valt er iets naar beneden tijdens Auster/It don't main a thing... zoals een baksteen of een handvol geldstukken. Dat had letterlijk pijnlijk kunnen zijn, mochten de acteurs zich elders hebben bevonden. Maar dat is het dus niet. De zoektocht in taal naar sublimering, zo typisch voor Auster, blijft achterwege, en krijgt geen theatrale tegenhanger.
B
De eerste reeks opvoeringen van Auster ging door op de bovenste verdieping van het cultuurcentrum van Berchem. Het podium lag mooi voor een muur vol vensters met zicht op het Antwerpse dakenlandschap, waarboven de lucht langzaam donker werd. Enkele rechtopstaande oude houten deuren bakenden een scène af. Op een tafeltje stond een platenspeler, aan het plafond een reeks dassen en verderop een tiental hemden aan een kapstok. Halfweg werden er nog poëtische uitvergrote fotokaders aan dit tableau toegevoegd.
Delnaet en Vandervost hebben ervoor gekozen om, nogal typisch voor De Tijd, van het stuk een tekstvoorstelling te maken. Dramatische beweging of theatercodes worden nauwelijks ingezet. Auster krijgt daarom een zeer statisch en tegelijkertijd fragmentarisch karakter. Ook de keuze van de voorgedragen tekstfragmenten zelf ligt helemaal niet voor de hand. Drie romans krijgen de nadruk: het onvolprezen Moon Palace uit 1989, waarin Auster zonder twijfel het best zijn persoonlijke kijk op de Amerikaanse mythologie heeft uiteengezet; The Brooklyn Follies, het eerste boek in de reeks van nogal kabbelende post-9/11-romans die Auster deze eeuw schreef; en Travels in the Scriptorium, zijn laatste boek (het nog niet in het Engels verschenen The man in the dark niet meegerekend), een zeer metafictioneel boek waarin een zekere Mr. Blank in een afgesloten kamer bezocht wordt door oude bekenden uit het Auster-universum.
De gesproken opvoering van dialogen of afgezonderde gebeurtenissen uit deze stuk voor stuk in elkaar plooiende boeken, creëert een zeer halfslachtig tableau. Geïsoleerd uit hun narratieve structuur, stellen ze niet erg veel meer voor. Een goed voorbeeld is de telefoonscène tussen Kitty Wu en Marco uit Moon Palace, op papier nochtans een hartverscheurende finale. Hun relatie is stukgelopen om literair zeer verwante en uiteenlopende redenen: Kitty Wu was zwanger (een belangrijk gegeven in een boek over, onder meer, vaderschap en autoriteit), Marco was op zoek naar zichzelf, zij heeft eerder zijn leven gered - enzovoorts, enzoverder. Maar losgetrokken uit dit web van betekenissen biedt de dialoog weinig meer dan een banaal en ergerlijk staaltje van twee geliefden die niet meer kunnen spreken met elkaar. Auster is allesbehalve de grootste stilist uit de hedendaagse literatuur, en ook de opvoering van Vandervost en Delnaet weet dat gebrek van zijn nogal archetypische fraseringen niet te verhelpen.
Een ander belangrijk motief bij Auster is dat van het duo. In tegenstelling tot de duo's bij Beckett gaat het niet om licht belachelijke en in essentie inwisselbare tegenspelers zoals Vladimir en Estragon. De partners staan elkaar bij Auster naar het leven. Minstens een van hen is teveel. In Moon Palace geldt dat bijvoorbeeld voor Effing en Marco, een oude blinde man in een rolstoel en zijn assistent. Het ware mooi geweest dat deze spanning tussen twee karakters zichtbaar werd op het theater, ook buiten de tekstflarden om. Maar meer dan elkaar in het oog houden, en nu en dan een stap vooruit of achteruit zetten, doen de acteurs niet.
Hetzelfde geldt voor het motief van het schrijverschap, dat bij Auster ook nagenoeg messianistisch wordt opgeladen. Schrijven redt het leven; er is geen leven buiten het schrijven; schrijven, dat is geen flauwekul! Auster/It don't mean a thing... opent met een opsomming van vroeg gestorven schrijvers of kunstenaars, en pikt nu en dan dat thema opnieuw op. Maar het is niet makkelijk om het sublieme én het wanhopige van de schrijfact te evoceren, als het letterlijke product van die act noodgedwongen afwezig blijft.
C
Verwoorden waar je van houdt, is tot mislukken gedoemd, schreef Roland Barthes ooit, en zo is het vast ook met theatermakers die het werk van een geliefde auteur naar een theaterpubliek willen brengen. Enthousiasme, opwinding of bewondering is een slechte raadgever bij om het even welke artistieke creatie. Het probleem van de theatrale adaptatie van een literair werk roept de theatermaker zo op om van het hart een steen te maken. Het merkwaardige aan Auster/It don't mean a thing... is dat het noch liefhebbers van Auster die alles van de ‘Amerikaanse meester' gelezen hebben, noch volstrekte leken die onvertrouwd zijn met zijn universum, erg veel plezier doet. Het themaatje van het vallende voorwerp is wat dat betreft opnieuw een goed voorbeeld. Wie weet dat, bijvoorbeeld in Oracle Night van Auster, een personage zijn eigen leven een radicale draai geeft nadat hij ‘aan de dood door vallend puin' is ontsnapt - die verwacht op scene een theatrale weergave van die mogelijke impact van het toeval. En wie niet weet dat er bij Auster gedurig dingen uit de lucht vallen en aan de zwaartekracht worden prijsgegeven, die schrikt zich tijdens de voorstelling de eerste keer rot, is de tweede keer geïntrigeerd, en de derde keer verveeld. Hetzelfde geldt voor de scènes uit Travels in the scriptorium. Is dat al een boek dat de Auster-themata recycleert op een manier die slechts voor ingewijden leesbaar is, dan zijn de vertelde scènes dubbel zo hermetisch. Wat als ogenblikkelijk residu overblijft, bijvoorbeeld als Mr. Blank bezoek krijgt van Anna Blum (hoofdpersonage uit het desolate In the country of last things), is nog meer man-en-vrouw-geschermutsel. Blank probeert Anna zover te krijgen haar boezem te ontbloten. In de roman heeft dat nog betekenis en diepgang omdat het min of meer om de ‘auteur' gaat die van zijn creatie teveel verlangt, met name erotisch plezier. Maar gefragmenteerd, zoals op scène gebeurt, is het niet meer dan een lachwekkend, redelijk platvloers staaltje dat wil reflecteren over hoe mannen suckers zijn voor makkelijk lichamelijk genot. Als het Auster daar echt om te doen is geweest, dan was hij nu als auteur al vergeten. En als deze voorstelling van De Tijd daarop wil inzetten, dan hebben ze een verkeerde doelgroep voor ogen.
Het alfabet waaruit het werk van Auster is opgebouwd, hebben Vandervost en Delnaet zonder twijfel zeer goed doorgrond. Ze hebben de alfabetische volgorde in Auster/It don't mean a thing... echter niet meer doorbroken. De grote verdienste van het oeuvre van Auster is dat het bestaat uit zeer eenvoudige, pseudo-mystieke en nu en dan zelfs puberaal ergerlijke elementen - maar dat hier toch een handvol indrukwekkende romans uit tevoorschijn zijn gekomen. Het moet mogelijk zijn om met diezelfde letters een onvergetelijke theatervoorstelling te maken. Daarvoor is echter meer afstand, durf en eigen inbreng nodig dan in Auster/It don't mean a thing... is aangewend.