De timing van belichaamde muziek The Jonathan Burrows/Matteo Fargion Project in cc Maasmechelen

Auteur: Lieve Dierckx

De muziek is virtuoos
In Kasteel Vilain XIIII in Leut, een deelgemeente van Maasmechelen in Belgisch Limburg, staat een prachtig gerestaureerde Nanette Streicher-pianoforte uit 1826. Het instrument kent vele levens: recent was het zowaar aanleiding voor een driedaags festival rond het werk van choreograaf Jonathan Burrows en zijn kompaan, componist Matteo Fargion. Deze twee heren hebben in de overlap tussen muziek en dans een heel eigen formule gevonden die de gedachte van ‘bewegen op muziek' ver achter zich laat. Ritme, timing en vooral ook de ‘houding' tegenover het materiaal zijn punten waarop de choreograaf en de componist elkaar vinden voor het uitbroeden van een uiterst boeiende eigen taal, die tezelfdertijd de verhouding met het publiek democratiseert.

Wat de pianoforte en het duo gemeenschappelijk hebben, is de warme belangstelling van Hugo Haeghens, directeur van ccMaasmechelen. Ooit hadden Burrows en Fargion hem tijdens een residentie beloofd dat ze ‘iets' rond zijn troetelkind, de pianoforte, zouden doen. Veel meer dan ‘iets' is dat inderdaad niet geworden want het oude instrument, met zoveel liefde in zijn oorspronkelijke staat hersteld, wordt in de drie dagen niet veel langer dan vijf minuten bespeeld.
Maar het instrument komt tijdens het festival wel naar voor als een symbool voor de werkprocedure van het duo. Een belangrijk uitgangspunt daarin is immers het herformuleren van dans- en muziekhistorisch materiaal. Zelf noemt Burrows hun interesse in ‘scores' en ‘vertaling' een antwoord op het postmoderne dilemma over de onmogelijkheid om iets nieuws te creëren. Maar evengoed kan je dat uitgangspunt een plek geven in een hipper en recenter ‘ecologisch' recyclage-gedachtegoed dat in de podiumkunsten mag uitdijen in een hernieuwde interesse voor repertoire en re-enactment.

Een festival rond één choreograaf of gezelschap is in hedendaagse dans erg zeldzaam. Organisator Hugo Haeghens is één van de weinige programmatoren in Vlaanderen die dat soort risico aandurft. In het verleden toonde hij bovendien een uitmuntend inschattingsvermogen als het om belangwekkend ‘kleiner' werk gaat in hedendaagse dans. Nu zijn Burrows en Fargion bepaald geen nieuwkomers, maar hun parcours nam onderweg enkele ongewone wendingen. Het duo leerde elkaar kennen in Londen, toen Jonathan Burrows nog als solist danste bij het eerbiedwaardige Royal Ballet, waaraan hij gedurende dertien jaar verbonden was. In 1995 vroeg hij aan componist Matteo Fargion muziek te schrijven voor een kleine choreografie, ‘Hands', die op haar beurt diende voor een film. Gedurende een kleine tien jaren werkten ze samen in een klassieke constellatie choreograaf-componist. In 2002 onderging hun relatie een ingrijpende transformatie toen ze met Both Sitting Duet voor het eerst in een gelijkwaardige verhouding samen op het podium gingen.

En vanaf hier kunnen we terug naar Maasmechelen want op de eerste avond van het festival hernemen ze dit werk, het eerste deel uit wat ze later hun Trilogy for Two Gentlemen zouden noemen. De twee volgende delen, Quiet Dance en Speaking Dance, worden in het festival als double bill getoond op de tweede avond. Die intensieve onderdompeling geeft meteen een mooi beeld van hoe hun taal in de loop van de tijd evolueerde. Het eerste deel, Both Sitting Duet, uigevoerd op stoelen, is een bewegingstranscriptie voor vier handen van een partituur die componist Morton Feldman op zijn beurt opdroeg aan John Cage. Het enige geluid is dat van de dansende handen en het ritselen van de pagina's terwijl ze elk hun score volgen die voor hen op de vloer ligt. In Quiet Dance doet stemklank zijn intrede: terwijl Burrows in de eerste bewegingsfrase in acht tellen van rechtop naar steeds lager gebogen vooruit stapt, produceert Fargion een zucht die in acht tijden steeds hoger klinkt. De inspiratiebron zijn de acht noten van de notenbalk, van lage tot hoge do. In Speaking Dance, tenslotte, is de beweging naar papier verhuisd. Opnieuw zitten de twee uitvoerders op stoelen naast elkaar en zetten een spel in van woord- en klankritmes, gebaseerd op dansinstructies die ze op blad voor zich hebben. Af en toe barst Fargion uit in een Italiaanse smartlap of haalt één van hen een mondharmonica boven.
Je zou de trilogie kunnen omschrijven als een verschuiving in zwaartepunt van beweging naar muziek. Maar uiteindelijk komt de verschuiving neer op het uitpuren van hun gemene delers: muzikaliteit, ritme en timing. 


Manifest

Pas op de derde dag verhuist het festival van cc Maasmechelen naar het Kasteel Vilain XIIII. In de vooravond serveert het duo als aanloop al een lecture performance over de inspiratiebronnen van hun werk. Die gaan van Les Noces van Nijinska over folkloredans uit Oxfordshire en Zuid-Afrika, flessenmuziek, chaos en orde in het werk van Tadeusz Kantor, de komiek Max Wall, de musical Chorus Line, Samuel Becket, de muziek van Morton Feldman, Steve Reich en John Cage, dub reggae en gedeelde autobiografische ervaringen. De sleutelwoorden in dit amalgaam zijn ritme, timing, waardigheid, het contact met publiek en het contact met de voorstelling.

De première van Cheap Lecture wordt later op de avond opgevoerd in de ‘schoonste kamer' van het kasteel. Naast een voorstelling is Cheap Lecture vooral ook een manifest over hun werk en over hun relatie met het publiek, vormelijk gegoten in een onmogelijke, grappige, absurde waterval van geritmeerde gedachten.
Op het podium staat achteraan de pianoforte mooi te wezen. Rechts vooraan staan twee microfoons. De twee heren komen op, elk met de intussen obligate bundel papieren in hun hand. In één stap zijn ze bij de microfoon en zonder één seconde inleidend gedrentel beginnen ze aan een consequent volgehouden ritmische drive van frases die ze aflezen van hun blad: ‘We apologize'; ‘We have come with empty hands'. Op de achtergrond horen we een soundscape met enkele simpele Schubert-akkoorden, vooraf opgenomen op de fortepiano. Pas op het einde, in de laatste minuten, mag de pianoforte even uit zijn puur decoratieve functie. Fargion speelt zelf de Schubert-akkoorden die Burrows prompt bekrachtigt met een ritmisch herhaald ‘boum', ‘boum', ‘boum'. Er komt aan de hele spraakwaterval van Cheap Lecture geen dansbeweging te pas. ‘Echte' muziek is gereduceerd tot enkele verdwaalde noten en ‘echte' dans gaat niet verder dan een kleine stap naar voren. Het zijn hun woorden die dansen, hun blikken over en weer naar elkaar, naar het publiek, de bladen van de bundel in hun hand die ze na elke zin met een kleine zwaai op de grond gooien. Het is de humor die danst doorheen de score. Op dezelfde manier maken ze van hun woorden, hun blikken en gooibewegingen muziek. Ze spelen niet met toonhoogte of volume; alles wordt ingezet op de kracht van ritme en timing.


Timing

En het is die timing die Cheap Lecture deelt met de trilogie uit de twee vorige festivaldagen. Burrows en Fargion beheersen timing als weinig anderen, als de allergrootste clowns of komieken. Iemand noemde hen ooit de Laurel en Hardy van de avant-garde dans, maar dat doet tekort aan hun meerwaarde als dans- en muziekperformers. Hun werk hééft dat komische aspect dat vervat zit in de perfecte plaatsing van een blik, een zucht of één van de kleine typische hoofdbewegingen waarmee ze een woord of een bewegingsfrase afsluiten. Vooral Fargion is daar goed in, hij heeft ook de klassieke fysionomie van een clown, is klein, kaal, stevig gebouwd en met een ietwat treurige gelaatsuitdrukking. Kortom, het soort fysiek waar vrouwen met een welgeplaatst beoordelingsvermogen voor in katzwijm gaan.
Aan de andere kant deinzen Burrows en Fargion terug voor een overdaad aan lachlust want ze willen dat het publiek blijft beseffen dat hun werk een ernstig voorstel is.

Hun humor maakt immers deel uit van een ruimere betekeniskracht in hun werk. Werk dat overigens nauwelijks te beschrijven valt. Toen ik hen voor het eerst bezig zag, was ik maar wat blij dat ik er niet hoefde over te schrijven. De enige poging tot verwoording ging niet verder dan dat het is als kijken naar een spel waarvan je de regels niet kent, maar dat duidelijk zo plezierig is dat je er absoluut deel van wil uitmaken. In Maasmechelen geldt dat idee nog steeds. Er is iets in wat ze doen dat maakt dat je blijft kijken, vol verwachting over de volgende zet in hun ingewikkeld spel waar (vooralsnog) geen touw aan vast te knopen valt.

En laat het nu net die gecreëerde verwachting zijn die volgens musicologen de kern is van timing. Muziekwetenschapper Henkjan Honing stelt dat timing (het spel met tijdsruimte tussen twee noten) de aandacht van de luisteraar gaande houdt op een primitief cognitief niveau - fundamenteler dan wat harmonie of toonvorming kunnen teweegbrengen. En het bijzondere is dat diezelfde muziekwetenschap de link maakt met het menselijke lichaam. Ik citeer even Honing in een brief over zijn project voor computergenereerde muziek: ‘(...) ik geloof dat we iets enorm belangrijks over het hoofd hebben gezien. Timing gaat natuurlijk niet alleen over het plaatsen van de noten, het gaat ook over de musicus zelf, en over wat sommigen ‘belichaamde muziek' noemen." [i] 


Houding

Dat geldt absoluut voor Jonathan Burrows en Matteo Fargion: het is de wijze waarop ze timing fysiek inzetten, die de aandacht vangt. En precies die specifieke ‘houding' tegenover hun bewegingsmateriaal, -score en partituur maakt een belangrijke meerwaarde uit in hun werk.
Enerzijds maken ze hun bewegings- annex klankpartituren opzettelijk zo ingewikkeld dat een perfecte uitvoering quasi onmogelijk is. Met die onmogelijkheid gaan ze vervolgens aan de slag, concentratie op scherp, want wìllen doen ze wel: ‘The best we can', was één van de geritmeerde frasen uit Cheap Lecture.
Anderzijds staan ze zichzelf vanuit dit vertrekpunt fouten toe. In hun meer bewegingsmatige voorstellingen is het resultaat een relaxe manier van bewegen. Ook als ze niet bewegen zorgt die zelfrelativerende ontspanning voor een aanstekelijk plezier dat bij de toeschouwer een directe betrokkenheid genereert. Je zou hun houding een werkethos kunnen noemen met een hoog uitnodigend gehalte. In de hiërarchie tussen toeschouwer en voorstelling haalt die een glazen wand van moeilijkdoenerij naar beneden die de afstand met wat op het podium gebeurt, hoe abstract of onvatbaar ook, opheft.

Ook tegenover de virtuositeit van het bewegingsmateriaal, of net in het gebrek daaraan, spelen Burrows en Fargion met het gegeven ‘houding'. Hun danstechnische mogelijkheden zijn erg verschillend: de geïncorporeerde balletachtergrond van Burrows maakt dat zijn lichaamsbeheersing veel preciezer is afgestemd dan die van Fargion en dat hij de neiging heeft om meer te doen, bewegingen vaker te herhalen of ze sneller uit te voeren. Fargion is een ongetraind beweger en brengt rust in het geheel door een zekere traagheid. Binnen die verschillen toont hun uitvoering de waardigheid van elk individueel kunnen. ‘The informal crashing into the formal‘ - een muziekprincipe van John Cage dat ze citeren in hun Cheap Lecture is op verschillende niveaus van toepassing - de virtuoze balletingesteldheid van Burrows tegenover het gebrek daaraan bij Fargion, hun virtuoze partituur tegenover het gebruik van ‘dagelijkse' bewegingen.
Wat ze op het podium teweegbrengen is samen te vatten in de frasen waarmee ze de toeschouwer bekogelen tijdens Cheap Lecture: ‘the right way into something produces time/space'. Of nog: ‘a mental space that goes beyond time/space'. Tja, hoeft het te verbazen dat de belangrijkste inspiratiebron voor Cheap Lecture de Lectures on Nothing is van John Cage?

Na het festival in Maasmechelen werd bekend dat Cheap Lecture het eerste deel vormt van een nieuwe trilogie die het duo nog in 2009 op het podium wil brengen. Bovendien plant Jonathan Burrows in het najaar een theoretische publicatie waarin hij zijn werk toelicht. We wachten vol ongeduld.


Nieuwe verhoudingen

Wat ze doen werkt. Burrows en Fargion tonen een blije, open, intelligente manier om op een podium te staan, zonder dat er uitleggerigheid of grootse technische middelen aan te pas komen. Lichaamstaal en klank volstaan. Hun ‘houding' maakt ruimte vrij voor resonantie tussen werk, uitvoerders en toeschouwers, zonder dat er op artistiek vlak toegevingen hoeven gedaan te worden. Mooi toch.

Lieve Dierckx

share