De kunst van het slapen House of the sleeping beauties, LOD, Toneelhuis & De Munt

Auteur: Christophe Van ...

House of the Sleeping Beauties is een bewerking door regisseur Guy Cassiers van de gelijknamige roman van Yasunari Kawabata. De gebeurtenissen in het boek en in de voorstelling zijn nagenoeg dezelfde, alleen is de voorstelling met één episode ingekort.

Hoofdpersonage is de 67-jarige Eguchi, die drie keer ‘het huis van de schone slaapsters' bezoekt. Dat huis is een bijzonder, oneigenlijk bordeel waar oude mannen letterlijk - en ook niet meer dan letterlijk - samen kunnen slapen met telkens een ander onder verdoving gebracht jong meisje. Een bordeelhoudster ontvangt Eguchi, schenkt hem thee, en geeft hem vervolgens de sleutel van de kamer waarin het meisje diep slapend en naakt op hem wacht, als onder narcose of in een onherstelbare coma.

Tijdens de eerste nacht herinnert de geur van de borsten van het meisje hem aan de geboorte van zijn dochters, en aan het meisje dat hem ontmaagdde. Tijdens de tweede nacht kan Eguchi, die in tegenstelling tot de oudere bezoekers aan het bordeel nog niet impotent is, zich ondanks de afspraken niet bedwingen. Hij wil zijn gang met haar gaan, totdat tot zijn ontsteltenis blijkt dat dit meisje zelf nog maagd is. De slaap volgt, en opnieuw komen er herinneringen, aan zijn jongste dochter net voor haar huwelijk, aan een vrouw met wie hij lang geleden twee intense nachten doorbracht. Bij zijn derde en laatste bezoek aan het huis, bij het derde en laatste meisje, droomt Eguchi van zijn moeder, bij wiens overlijden hij aanwezig was. Als Eguchi ontwaakt, ademt het meisje niet meer. Is ze dood? De bordeelhoudster draagt haar lichaam weg, en vraagt Eguchi met aandrang om opnieuw in te slapen, tot de ochtend komt, en het licht, en het echte einde van de betovering.

Zoals de roman De schone slaapsters van Kawabata door middel van stijl, woordkeuze en ritme een eigen esthetisch regime installeert, zo worden in de voorstelling House of the Sleeping Beauties specifieke - en deels andere - registers bespeeld. Het beeld en de muziek (van Kris Defoort) krijgen een grote rol toebedeeld, en maken het mogelijk om veel betekenisvoller breuken in het hierboven geschetste tijdsverloop aan te brengen - en op te merken. Waar in het boek de tekst niet anders kan dan doorlopen - behalve natuurlijk waar er een nieuw hoofdstuk begint -, verandert in de voorstelling de visuele taal. Zo valt elk van de drie nachten op scène veel duidelijker uit elkaar in telkens nog eens drie delen.

Eerst staat Eguchi bits en onwennig tegenover de madame, als bij een portier of aan de kassa. Ze spreken zacht maar afgemeten en overtuigd met elkaar over de praktische regels waaraan Eguchi zich moet houden. Daarna, in de kamer, als de oude man alleen met het meisje is en de bordeelhoudster afzijdig zit te roken, heersen andere esthetische codes. Een langwerpig luik schuift weg in het midden van de achterwand. In de vrijgekomen opening hangt een meisje in een onzichtbaar web - ze danst (een choreografie van Sidi Larbi Cherkaoui), versluierd en omzwachteld met een breed uitwaaierende jurk (ontworpen, zoals ook de andere kostuums door Tim Van Steenbergen). Op de gedeelten van de wand die niet zijn weggeschoven, worden nauwelijks herkenbare close-ups van een bewegend meisjeslichaam geprojecteerd. Hier wordt niet meer gesproken maar gezongen: een man zingt de woorden van Eguchi, tussen waken en slapen, tussen werkelijkheid en droom, tussen heden en verleden; een vrouw zingt de woorden van de verschillende vrouwen of meisjes die tevoorschijn treden in de geest van Eguchi; een koor becommentarieert de al of niet werkelijke gebeurtenissen. Ten slotte, als het ochtend is, verschijnt de bordeelhoudster opnieuw, en wordt er weer gewoon gepraat, onwennig, zakelijk en een beetje verlegen.

Dirk Roofthooft speelt Eguchi als een man die hij al vaker vertolkte (in Bezonken rood, in Terug naar Oosterdonk): zowel cynisch als hoogstgevoelig, vervuld van twijfel tussen hoop en teleurstelling, een evenwicht zoekend in milde uitingen van soms humoristische agressie. Katelijne Verbeke speelt de bordeelhoudster als een hardvochtige, emotieloze vrouw, die streng toeziet op het naleven van de regels. Het decor bestaat uit niet meer dan de hierboven beschreven achterwand: soms opaak maar van zwarte spijlen en regels voorzien, zoals Japanse papierwanden; soms als een muur met een venster zicht biedend op het dansende meisje, soms beschenen met abstracte, kleurige motieven of filmische beelden. Voor deze wand ligt een dubbele slaapmat, en helemaal rechts staat een stoel waarop de bordeelhoudster rokend wacht. Het scènebeeld verwijst zo openlijk naar hedendaagse ensceneringen van Madame Butterfly, de opera van Puccini waarin eveneens de deugd van en het samenzijn met een meisje centraal staat, en die zich eveneens afspeelt in een wat onbestemde, kalme maar geladen Japanse sfeer. Ook de muziek van Defoort heeft dezelfde filmische en soms ronduit sprookjesachtige kracht als in die klassieke vroeg-twintigste-eeuwse opera's.

Al die typische elementen - decor, muziek, scène, acteurs, kostuums - krijgen van de ploeg rond Guy Cassiers een autonome esthetische invulling. De vormelijke, net niet steriele maar toch bijna platoonse ideaalwereld van het meisjesbordeel is ook de werkelijkheid van deze voorstelling. Het is daarom moeilijk om House of the Sleeping Beauties te interpreteren als een studie over de ouderdom, de herinnering, de late mannelijkheid of de gebrekkige lust. Eerder verzelfstandigt het stuk zich tot een even gesloten als esthetisch sprookje - tot een parabel voor niets minder dan de esthetische ervaring zelf. Want welke kunstliefhebber - welke toeschouwer van House of the Sleeping Beauties - ziet zichzelf uiteindelijk niet weerspiegeld in de oude Eguchi? Welke omgang met kunst is niet als een omgang met een slapende schoonheid in dit bordeel?

De toegang en de voorbereiding tot kunst is verzakelijkt, vermarkt, hard gemaakt, als een transactie, een koud ritueel voor de ingang. Onze relatie tot het kunstwerk is als de relatie van Eguchi tot het diep slapende meisje. Niemand weet wat er in haar omgaat, niemand weet welke dromen - en welke herinneringen - zij ons zou kunnen bezorgen. Maar zeker is wel, zoals Proust schreef (het is dan ook niet toevallig dat Cassiers enkele jaren terug een vierdelige Proust-cyclus maakte), dat alleen een slapend lichaam niet kan teleurstellen. Ook zo komt de kunst telkens haar zwijgende beloftes na, omdat onze verbeelding en ons verleden genoeg hebben aan het handvol zintuiglijke registers die door het samenzijn met de kunst worden bespeeld - de muziek, het acteren, het beeld. Dat samenzijn is even fantastisch - het esthetische als het summum bonum - als tragisch: het is geen echt contact, geen echte gemeenschap, maar interpretatie, invulling en verbeelding. De maagdelijkheid, de ongereptheid, de perfectie - die zowel de slapende schoonheid als de kunst voorhebben op de wereld en het echte leven - moet gevrijwaard blijven om die specifieke ervaring tot stand te kunnen brengen. De magie mag niet doorbroken worden, en daarom blijft het contact ook altijd deels afzijdig en ingebeeld. Het gaat, zoals Adorno in zijn Ästhetische Theorie schreef, ‘om een immante dynamiek, een element van een veel hogere orde, die de esthetische ervaring op de erotische ervaring doet lijken.'

Wat de kunst, de slaap en de erotiek uiteindelijk en ultiem met elkaar verbindt, is de dood; kunst, slaap en erotiek bestaan bij gratie van een onafwendbaar en onomkeerbaar einde, dat door hun werking zelf al geïmiteerd wordt. Ook dat toont House of the Sleeping Beauties even schrijnend als wondermooi. Het lichaam van het meisje wordt weggebracht door de bewaakster van de goede orde van de kunst: Eguchi blijft alleen achter, naakt, vertwijfeld, een lamp fel in zijn ogen gericht, terwijl de ene na de andere witte balk vanuit de hemel naar beneden schuift en alle elementen op scène langzaam aan het zicht onttrekt. Er rest hem, net als ons, niets anders dan uit te kijken naar een onvervuld contact met een nieuwe slapende schoonheid, met een nieuw zelfstandig kunstwerk. Zoals, bijvoorbeeld, House of the Sleeping Beauties.

Christophe Van Gerrewey

share