De behaaglijkheid van ons onbehagen Brandhout. Een irritatie, tg Stan

Auteur: Christophe Van ...

Brandhout. Een irritatie is één lange monoloog, opgevoerd door Damiaan De Schrijver. Slechts halverwege de voorstelling knipperen heel kort de lampen: De Schrijver wordt een ander personage, maar op het eind blijken die twee personages toch heel veel met elkaar gemeen te hebben.

In het eerste deel is De Schrijver, zo vertelt hij aan het publiek, te gast op een kunstzinnige avond - flink tegen zijn zin, want hij mag de gastheer en -vrouw eigenlijk niet, en hij heeft die ochtend een goede vriendin ten grave gedragen. Bovendien is het al na middernacht, en moet iedereen wachten op de komst van een laatste gast (een acteur die nog niet is teruggekeerd van het theater) vooraleer gegeten kan worden.
De tekst van Brandhout is een bewerkte en flink ingekorte vertaling van Hölzfallen. Eine Erregnung van Thomas Bernhard, en de lange, superieur meanderende en dan uiteindelijk toch vernietigende zinnen van de Oostenrijkse auteur zijn op maat geschreven van Damiaan De Schrijver. Zoals in de openingszin: ‘Terwijl iedereen op de toneelspeler aan het wachten is, die beloofd had na de opvoering van De Wilde Eend, tegen half twaalf, naar hun avonddiner in de Gentzgasse te komen, observeerde ik het echtpaar Auersberger vanuit de orenzetel, waarin ik begin jaren '50 bijna dagelijks zat, en bedacht dat het een zware vergissing was geweest op de uitnodiging van de Auersbergers in te gaan.'

Helemaal vooraan, bijna op de rand van het podium, staat een schrale hoge wand van - inderdaad - brandhout, die een langwerpige ruimte van niet meer dan een meter diep afbakent. Met deze wand als achtergrond drijft De Schrijver heen en weer, doortrokken van weerzin, en dan nog het meest voor zichzelf. Het zijn slechts zijn woorden, en de manieren waarop ze zijn onrustig lichaam aansturen, die zichtbaar zijn, altijd even grappig als bitter, samen met de scènes uit een kunstzinnig milieu die ze weten op te roepen.

Waar deze man last van heeft, kan omschreven worden met de omkering van de titel van een essay van Frank Vande Veire: hij lijdt vreselijk onder de onbehaaglijkheid van het behagen. (Vande Veire had het over het behagen in het onbehagen dat eigen is aan alle liefde voor kunst en cultuur - termen die hij ontleende aan Adorno, die ze voor het eerst gebruikte in een tekst over de populariteit van Kafka.) Zijn gezelschap wentelt zich in de kunst; het voelt zich uitverkoren boven alle anderen omdat het zich met kunst kan en mag bezighouden; hoe gelukkig is het niet dankzij de kunst! Wat een prachtig leven hebben zij niet! Wat een godsgeschenk dat ze gevoelig en intelligent genoeg zijn om van kunst te kunnen genieten of om zelfs kunst te kunnen maken, en om zo de afschrikwekkende leegte van het bestaan te kunnen bedekken en op een zinloze manier op te kunnen vullen!
Dit behaaglijke wentelen in het kunstzinnige heeft voor deze man iets zeer onbehaaglijks. Hij heeft dan ook die ochtend een goede vriendin, een actrice, begraven. Ze had zichzelf opgeknoopt, en het was, zegt hij, een wonder dat ze het nog zo lang heeft uitgehouden. De schaduw van deze zelfmoord hangt boven het ‘kunstzinnig samenzijn' en boven elk woord dat wordt gesproken; de suïcide wekt een kunsttheoretische sfeer op die het best als volgt omschreven kan worden: wie denkt dat kunst deze dood kan toedekken, wie denkt dat kunst, geboren uit leegte, iets of iemand beter kan maken, is een huichelaar die waarschijnlijk nooit echt met de diepte van kunst of de diepte van het leven geconfronteerd is geweest.

Door al het balorige tandengeknars heeft de man niet gemerkt dat de acteur, de ontbrekende gast op het gezellig samenzijn, ondertussen is binnengekomen. Men is zelfs al aan het eten begonnen. Aardappelsoep! Om half één 's nachts! Zo gaat dat met acteurs, die eten zelden voor middernacht.
Hier knipperen de enkele lampen die tegen de wand van brandhout zijn opgehangen - niet langer dan een ogenblik - en daarna staat er iemand anders op de planken - of, letterlijk, op de plank die languit op het podium ligt: de acteur, die zoals gezegd zopas is gearriveerd.

Deze acteur (het is natuurlijk wel nog steeds Damiaan De Schrijver) hanteert meteen een ander register dan de man in de oorzetel: hij beroemt zich op recente verwezenlijkingen, is best wel trots op zijn acteerprestaties, en doet nogal bijzonder over de harde levensstijl van een acteur, die het nu eenmaal noodzakelijk maakt dat er voor middernacht niet gesoupeerd kan worden - maar de kunst is het waard.
Het lijkt dus alsof we hier in een snobistische behaaglijkheid van het onbehagen zijn aanbeland: ja, kunst is een harde zaak, en kunst gaat over harde thema's - maar wat is het fantastisch, wat hebben wij een fantastisch leven als acteur, criticus, auteur, schilder, regisseur, enzovoorts - wat zijn wij fantastisch! Die pretentieuze behaaglijkheid komt in Brandhout. Een irritatie snel na de sympathieke balorigheid van de eerste verteller - en is iets minder spannend, iets minder ironisch ingewikkeld ook. Nu en dan is het gezeur van de acteur niet meer dan vervelend of irriterend, zeker in vergelijking met het fantastische geouwehoer uit het eerste deel.
Dan sluipt de ambiguïteit naar binnen.

Er is vooreerst het stuk waarover de acteur maar blijft doorgaan: De Wilde Eend van Henrik Ibsen, uit 1884. Met een op de soirée aanwezige schrijfster raakt hij in een dispuut verwikkeld over welke mannelijke hoofdrol hierin nu het moeilijkst te spelen is: die van Ekdal of die van Gregers? Die vraag is geladen met een intertekstuele ironie: in De Wilde Eend is Gregers een vriend van Ekdal, die de laatste er van wil overtuigen dat zijn huwelijk gearrangeerd - en dus leugenachtig is. Maar voor hij het weet heeft Gregers de hele familie ten gronde gericht in zijn verlangen de waarheid bloot te leggen. Zoals het hoofd van de familie het op het einde van De Wilde Eend uitdrukt: ‘Wanneer u een mens zijn zelfbedrog afpakt, dan berooft u hem van zijn geluk.'
De keuze tussen Gregers en Ekdal in De Wilde Eend - wie van de twee is het moeilijkst te spelen, wie van de twee is het moeilijkst te zijn - is dus de keuze tussen de eerste en tussen de tweede verteller in Brandhout. En het is ook de keuze tussen de onbehaaglijkheid van het behagen en de behaaglijkheid van het onbehagen: ofwel aanvaarden we dat alles in het leven, ook de kunst, futiel is, en dan leven we hard en ongelukkig maar in de waarheid; ofwel aanvaarden we de verzachting van de kunst en van de conventies, als een zalfje, en gaan we illusievol maar onbewust het einde tegemoet.

Het mooie aan de tekst van Bernhard is dat deze twee posities, als in elk goed staaltje dialectiek, elkaar vinden; het mooie aan de opvoering van tg Stan is dat de twee posities elkaar vinden in - als het ware - het lijf van Damiaan De Schrijver. Het stuk eindigt met alweer een vraag van de op de soirée aanwezige schrijfster aan de acteur - een vraag die bijna zeven keer opnieuw wordt gesteld, weifelend, belachelijk anders geformuleerd: ‘Heeft u... toegegeven... dat u... ooit... misschien... een klein beetje... bevrediging... aan uw kunst heeft beleefd? Zou u... kunnen zeggen dat... u... voor één keer... een hoeveelheid... laten we zeggen... aan de kunst... bevrediging heeft ontleend?'
De acteur is razend. Bevrediging? Bevrediging?! De vraag blijft woordelijk onbeantwoord, mondt uit in een reflectie op het onderscheid tussen natuur en cultuur, en krijgt zo toch nog een oorverdovende reactie: woud, hoge bomen, brandhout, dat is het altijd al geweest', zegt de acteur, in een abrupte finale, en hij gooit een voor een de panelen omver, die met een luide smak achterover vallen op de planken. In de verte gloort een bos, lokt de natuur - weg van de onoplosbare problemen van de cultuur. De acteur en de eerste verteller zijn één geworden.

En ook één met tg Stan. Want Brandhout. Een irritatie is een van de zuiverste weergaves van de poëtica van dit gezelschap. Dat blijkt vooral uit de nog niet vermelde aanwezigheid van de souffleur op de planken, op een krukje, met grote zwarte ogen, stil: Jolente De Keersmaeker. Meer dan eens staat haar aanwezigheid De Schrijver toe om niet zozeer buiten de lijntjes te kleuren, als wel buiten het blad: de illusie van de theaterfictie wordt doorbroken, bijvoorbeeld wanneer De Schrijver plots, heel kort, als De Schrijver spreekt, als de acteur van tg Stan, en niet als de acteur uit het boek van Bernhard. De conventies van het theater worden licht geschonden; zowel de vanzelfsprekende en geruststellende behaaglijkheid als het beroezende onbehagen worden verijdeld. En in de plaats komt toch weer boeiend, ironisch, vermakelijk, maar diep en ernstig theater.

Christophe Van Gerrewey

share