Bescheiden pogingen tot troost Headbanger’s Wall, NTGent

Auteur: Kristin Rogghe

Zelden gaat de sfeer van een voorstelling zo lijnrecht in tegen wat de titel suggereert, als in Peter Verhelsts nieuwste podiumcreatie Headbanger's Wall. In de besloten ruimte van de Kaaistudio's weerklinkt geen wilde muziek maar een gewijde stilte, waarin zelfs het knisperen van de spots te horen is. De drie vrouwenlichamen op de scène houden zich ver van ongecontroleerde bewegingen en harde confrontaties, maar verroeren zich met uiterste omzichtigheid, pijnlijke precisie en een haast onmenselijke traagheid. Ze zijn continu in beweging, maar dan wel in slowmotion. Verhelst lijkt de toeschouwer weinig te geven - geen personages, geen verhaal, geen dramatische spanning, zelfs niets van wat de man in de straat onder 'dans' zou verstaan - en veel van hem te vragen: een dik uur geconcentreerd blijven kijken naar de spaarzaam uitgelichte tableaux vivants en het invullen van de sobere taferelen met eigen associaties en emoties.

Gelukkig is auteur-regisseur-scenograaf-choreograaf Verhelst in de eerste plaats een begenadigd beeldenmaker, die in al die langzame continuïteit soms wonderbaarlijke momenten van visuele verrassing kan doen ontstaan. Vergelijk het met het groeien van een bloem: het gaat zo geleidelijk dat je het nauwelijks ziet gebeuren, maar plots heeft de knop zich geopend en toont zich een onvermoede schoonheid. Net zo gradueel worden ook de scènische beelden in deze voorstelling opgebouwd, en net zo onwaarneembaar zijn de momenten van overgang. Soms zie je de dingen pas als ze er al zijn, zonder te hebben gezien vanwaar ze komen. Zo merk je plots op dat zich aan de voet één van de danseressen een plasje donker vocht heeft gevormd, dat steeds groter wordt. Hoe minimalistisch de enscenering ook is en hoe weinig er ook lijkt te gebeuren, toch krijg je de indruk dat je het cruciale evenement, het moment waarop iets nieuws begint, hebt gemist. In een après-coup probeer je terug te grijpen naar de oorsprong van de beelden, maar tevergeefs. Een vrouw staat voor je met in haar handen een warrige bos lang blond haar. Waar komt dat vandaan? Wat wil ze ermee? Je hebt er geen idee van, maar toch word je erdoor aangedaan.

Tussen de treffende beelden door zijn er lange passages waarop een ingezette beweging simpelweg wordt volbracht. Jammer genoeg weet de voorstelling er niet altijd de spanning in te houden. Zo duurt het een volle vijf minuten voor een lichaam dat op een stoel stond die kantelde, de grond bereikt. Tijdens die langgerekte val lijkt het lichaam gewichtsloos boven de grond te zweven en is de zwaartekracht niet meer van tel. Ook op andere momenten houden de performers hun tegennatuurlijke poses - schuin achterover hangend in skibotten bijvoorbeeld - eindeloos aan, waardoor je referentiekader van wat natuurlijk is en wat niet begint te verschuiven. Alsof in Verhelsts universum een andere fysica heerst. De gebruikelijke wetten van de tijd zijn eveneens opgeheven: de gejaagde tijd van alledag heeft plaats gemaakt voor een dikke, stroperige tijd - een tijd die ruimte biedt om stil te staan bij details of om je aandacht te laten afdwalen. Headbanger's Wall is het soort voorstelling waarbij je je blik minstens zoveel naar binnen richt - op je eigen mijmeringen en bespiegelingen - als naar buiten.

Het is best wel verwonderlijk dat Peter Verhelst, die bekend werd om zijn vitalistische schriftuur, met Headbanger's Wall zo'n ingetogen voorstelling heeft gemaakt. Zijn eerste poëziebundels bevatten explosies van smaken, geuren en kleuren. En proeven van Verhelsts vroege proza is als je tanden zetten in een openspattende aardbei - genot en geweld tegelijk, onlosmakelijk verbonden. Ook in zijn theaterteksten van een jaar of tien geleden (Romeo en Julia (studie van een verdrinkend lichaam) uit 1998 of Aars (anatomische studie van de Oresteia) uit 2000) ging de auteur voor heftigheid aan beide kanten: een overdaad aan sensualiteit, maar ook excessen van (zelf)vernietiging. Vanwaar dan die evolutie naar de subtiliteit, mildheid bijna, in Headbanger's Wall? In een interview op radio Klara vertelt Peter Verhelst dat hij enkele jaren geleden nog zocht de wonden bloot te leggen, terwijl hij nu eerder gedreven wordt door het verlangen om te helen, te troosten. Hij voelt aan dat er 'een' nood is in onze maatschappij, dat er 'iets' moet gebeuren, maar behoudt zich het recht voor - zo blijkt ook uit zijn voorstelling - om daar erg vaag over te blijven, zowel over de pijnpunten als over hoe ze te verhelpen. Verhelsts dramaturg Bart Van den Eynde ziet in die pogingen tot positiviteit een algemenere tendens die een deel van het hedendaagse dans- en theaterlandschap kleurt. Hij verwijst onder andere naar Meg Stuarts laatste productie All Together Now, waarin de zoektocht naar gemeenschap en verbondenheid het uitgangspunt vormt van een aftastend parcours dat de performers samen met het publiek ondernemen.

In Headbanger's Wall blijven de danseressen sterk op zichzelf aangewezen en is er van interactiviteit nauwelijks sprake, ook niet onderling. Het platform dat de drie vrouwen delen is slechts enkele vierkante meters groot, maar toch hebben ze er elk hun eigen onzichtbaar afgebakende territorium. Of beter: ze laten elkaar een respectvolle ruimte, elk op zich geabsorbeerd in hun eigen kleine handelingen, maar toch in een zekere harmonie met het geheel. Ze stralen alle drie een specifieke sterkte uit, elk op een heel andere manier, en spelen de aandacht van het publiek moeiteloos aan elkaar door, zodat ze elk op hun beurt kunnen schitteren in de sequentie die hen het beste ligt. Hun bewegingsarsenaal is verre van spectaculair: het gaat gewoon om alledaagse handelingen of gebaren die sterk zijn vertraagd en zeer geconcentreerd worden uitgevoerd, à la Tai Chi. Op zeldzame momenten stemmen de drie performers hun handelingen op elkaar af en loopt alles een poosje synchroon. Zo bijvoorbeeld wanneer één van de vrouwen, op haar knieën gezeten, met kracht haar natte kledingstuk droog begint te slaan op het podium: de twee andere vrouwen vallen haar bij en al gauw weerklinkt hun ritmische cadans in drievoud. In het midden, vooraan, een kleine oosterse vrouw met een kort kapsel. Achteraan, links en rechts, twee grotere, blanke vrouwenlichamen, met gezichten die verborgen blijven achter hun lange haren. Ook de schaarse belichting zorgt ervoor dat er soms meer verborgen blijft dan wordt getoond, en dat het turen wordt om te onderscheiden welk lichaamsdeel er aan het bewegen is. Net zoals de performers hun spierspanning messcherp moeten doseren om alle bewegingen in slowmotion uit te voeren, legt de lichttechnieker precisie en perfectionisme aan de dag om elk tafereel de gepaste nuances van licht en duisternis mee te geven.

Hierin toont zich opnieuw Verhelst-de-beeldenmaker, wiens podiumwerk sterk aanleunt bij beeldende kunst. In zijn clair-obscurs zit een sterke picturaliteit, terwijl de manier waarop hij de vrouwenlichamen op het podium transformeert in amorfe vormen - al dan niet met behulp van abstraherende objecten zoals een buisvormige wollen trui - een sculpturale kwaliteit bezit. Ook in de videokunst zijn stijlverwantschappen te vinden - niet in het minst met het werk van Bill Viola, wiens bewegende beelden ook uiterst langzaam evolueren en baden in een spirituele sfeer. Maar waar blijft Verhelst-de-schrijver? Heeft ook die zijn stempel gedrukt op Headbanger's Wall? De eerste woorden komen pas in het spel als de voorstelling al een poosje bezig is, en dan nog in een onbekende taal. Ze worden uitgesproken door de oosterse danseres in wat vermoedelijk haar moedertaal is - het klinkt in elk geval eigen en intiem. Later worden de woorden herhaald in het Engels, en gaat een lichaamloze stem uit de hoogte verder met de rest van de tekst. Het is een korte tekst in een zachte zegging, vol beelden van geborgenheid: een schoot waarin je je hoofd kan leggen, een muur waarin je je lichaam kan begraven. De taal is opvallend eenvoudig, zonder barokke franjes of spitsvondigheden. Eigenlijk ben je de precieze inhoud snel weer vergeten, maar de sfeer blijft resoneren.
Tot de stilte opnieuw doorbroken wordt, helemaal op het einde van de voorstelling, door het prachtige operalied 'Lacrimosa' van Zbigniew Preisner. Maar je moet de oren spitsen om de klanken goed te kunnen opvangen. Dezelfde muziek zou, eenvoudigweg door de volumeknop hoger te draaien, gemakkelijk voor een tranerig emo-moment kunnen zorgen, maar het is tekenend voor Verhelsts aanpak dat hij dergelijke opdringerige en manipulatieve theaterpraktijken mijdt. Een climax zou overigens ongepast zijn aan het einde van een stuk dat al de hele tijd gestaag een gelijkmatige ontwikkeling aanhoudt, zonder grote contrasten of breuken.

Bescheidenheid siert deze voorstelling. Maar of Verhelsts podiumkunst nu echt troost biedt? Dat is veel gezegd. Daarvoor is er wellicht net iets te veel gelijkmatigheid, te weinig intensiteit. Op een handvol mooie beelden na is er weinig dat blijft hangen. Headbanger's Wall biedt in het beste geval de rustgevende ervaring van een halfduistere cocon, waarin je de dwingende wetten van ruimte en tijd even achter je kan laten. Een tijdelijke schuilplaats in de luwte van de dagelijkse realiteit.

Kristin Rogghe

share