In 2010 volgt regisseur Piet Arfeuille Bob De Moor op als artistiek directeur bij theater Malpertuis in Tielt. Hij geeft vooraf al een voorproefje van hoe die samenwerking er zou kunnen uitzien met zijn bewerking van de Metamorfosen van Ovidius, een vrij sobere, maar grappige enscenering over wat verandert en wat desondanks toch blijft.
In het collectieve geheugen van het ruime publiek staat Piet Arfeuille vooral bekend als ‘de regisseur die zo prachtig Shakespeare bewerkt voor jonge mensen'. Een label waar Arfeuille zelf allesbehalve van houdt. Hij is de man van de afwisseling. Hij wil zijn verhalen vertellen, de mens duiden, het publiek een spiegel voorhouden. Dat kan inderdaad met grootse voorstellingen zoals zijn Shakespearebewerkingen Hamlet en De Storm (HETPALEIS), die door pers en publiek meer dan lovend zijn ontvangen. Dat kan net zo goed met kleine, intimistische stukken zoals 2019 (Droomspel) er in 2008 één was, een coproductie tussen Productiehuis Brabant en Zuidelijk Toneel in Nederland. Door de klassieke aard van het basismateriaal gingen de verwachtingen voor Metamorfosen veeleer de kant van het monumentale theater op. Maar Piet Arfeuille kun je nooit pakken op voorspelbaarheid. Metamorfosen hoedt zich voor barok.
Alles in de soep
Het decor is om te beginnen al erg down to earth. Een bar, een rek vol flessen en keien, een kookeiland waarop de acteurs soep bereiden, een tafel met stoelen. Het blijkt een repetitieruimte voor te stellen, waarin vier acteurs een manier zoeken om Ovidius' meer dan 2000 jaar oude en vijftien boeken dikke dichtwerk in een hedendaagse voorstelling te gieten. Dit metatheatrale niveau moet de verhaallijn, die bij Ovidius loopt vanaf de schepping tot zijn eigen tijd, doortrekken tot vandaag. De vier acteurs (Tania Van der Sanden, Mieke De Groote, Günther Lesage en Gilles De Schryver) geven hier en daar een fragment uit drie van de boeken ten beste: ze vertellen ons over Perseus (die voorkomt dat Andromeda wordt verslonden door een zeemonster, met haar trouwt en zijn huwelijksfeest in moord en doodslag ziet eindigen), Byblis (die worstelt met incestueuze gevoelens voor haar broer) en Phaeton (de buitenechtelijke zoon van de zonnegod, wiens ritje met de zonnewagen fataal afloopt voor hemzelf en op wereldvlak onder meer de woestijnen veroorzaakt). Tussendoor praten de acteurs over de teksten en al wat die bij hen oproepen, maken en eten ze soep, en tasten ze hun onderlinge relaties af.
Versgebakken
Gilles De Schryver trekt onmiddellijk de aandacht met zijn Perseus-relaas. Hij springt op de tafel en vertelt - met een smakelijk gevoel voor dramatiek - alsof hij een spannende anekdote uit zijn eigen leven aanhaalt. De twee actrices moedigen hem aan in zijn spel en geven hier en daar een kritische blik. Vervolgens neemt Tania Van der Sanden het relaas van hem over. Zij vertelt over de gruwelijke moordpartij op het feest. Uit haar mond klinken de verzen van Ovidius als een doordeweeks verslag van de ene professionele roddelaarster aan een andere (‘En toen deed die zo en daarop reageerde de ander zus...' - die strekking). Haar naturel kan nauwelijks beter, de verzen klinken of ze vers gebakken uit de oven komen. Je kunt door haar verslag heen zo het plezier zien dat de auteur 2000 jaar geleden moet gehad hebben met het verzinnen en neerpennen van zijn bloederige taferelen. Na dit overtuigende begin zakt de voorstelling een beetje in elkaar. De acteurs-die-acteurs-spelen zeggen hier en daar nog wel wat zinnige dingen, geregeld is het stuk ook erg grappig, maar het geheel blijft te veel hangen in afzonderlijke verhaaltjes.
Overal change
Het motto van Ovidius, dat alles constant verandert, maar niets helemaal vergaat, kan in alle tijden ingezet worden. De parallel met Obama en zijn change-vocabularium is in dat opzicht snel getrokken. In het stuk duikt de metamorfose-idee dan ook evenzeer buiten de oude verzen in de scènes op, en in meer dan één betekenis. Iedereen gaat er zo op zijn eigen manier mee om. Tania probeert uit of ze de vergankelijkheid van het lichaam kan omzeilen en dus checkt ze voorzichtig of zij, met een behoorlijke voorsprong in levensjaren, nog kans maakt bij het jonkie Gilles. De scène is grappig en gevoelig tegelijk, en weekt vooral duidelijke reacties los van het tienerpubliek in de zaal. Voor hen is het zo klaar als een klontje: je veegt die jaren niet zomaar weg, het kan niet, het is niet leuk om naar te kijken. De scène toont hoe onherroepelijk verandering kan zijn en dat die ook ongewenste effecten met zich kan brengen.
Günther en Gilles larderen de voorstelling met leuke wetenschappelijke feitjes en weetjes. Als de wereldgeschiedenis werd afgepast op een klok, zou de mens pas om enkele minuten voor twaalf in beeld verschenen zijn. Ook dat zegt iets over onze positie op deze almaar in beweging blijvende aarde, over de relativiteit van het menselijke bestaan enerzijds en de hoogmoed ervan anderzijds.
Tussendoor proberen de acteurs rekwisieten en kostuumelementen op elkaar uit. De sfeer is nu en dan geladen, soms ook gewoon gemoedelijk. En zo, ingeving per ingeving, kabbelt de voorstelling op haar dooie gemakje naar zijn einde toe. Saai kun je ze nergens echt noemen, overlopend van de boeiende inzichten evenmin.
Helemaal op het laatst stuwt Malpertuis de voorstelling gelukkig nog heel even de hoogte in. Tijdens een hilarische doch ver over the top dronkemansperformance van Tania Van der Sanden (waar is nu die onverbeterlijke naturel gebleven?), komt de aap uit de mouw. De zogenaamd spontane uitingen en bedenkingen van de acteurs waren minder eigen dan ze zelf dachten. Eigenlijk kwam elk woord dat hen niet door Ovidius was voorgeschreven uit de pen van Günther Lesage - het bewijs staat zwart op wit in zijn notitieboekje. ‘Wat!?' lalt Van der Sanden als het personage Van der Sanden. ‘Weet Piet hiervan?' Welke Piet? ‘Piet Arfeuille! De regiepiet!' De passage bekijkt Ovidius' filosofie door de bril van het hedendaagse theater. Zelfs als een acteur onder zijn eigen naam het podium op stapt, verandert er iets: hij ondergaat de metamorfose naar iemand die een rol speelt in een stuk, een personage. Die boodschap trekt de oude verzen effectief door tot hier-en-nu: tot in deze zaal, op dit podium. De dynamische scène die hieruit volgt, redt de voorstelling van de middelmatigheid waarin ze na haar krachtige begin dreigde te verzanden.
Met Metamorfosen smeert Piet Arfeuille het thema ‘verandering' heel breed uit. Hij bekijkt de mogelijkheden en de consequenties van de meest uiteenlopende vormen van metamorfose en biedt dat palet aan zijn publiek aan. Die veelheid aan benaderingen zorgt voor een grote wisselvalligheid in het niveau van de voorstelling. In haar geheel genomen haalt Metamorfosen het dus niet helemaal als krachtig statement voor een nieuw parcours bij Malpertuis. Daarom onthouden we het liefst de echt sterke momenten van het stuk. Daarin profileert Arfeuille zich immers opnieuw als een meester-vertaler van klassiek repertoire naar hedendaags toneel. Gelardeerd met de lichtere, humoristische passages geeft dat uitzicht op sprankelend, veelzeggend en stevig theater dat nog genoeg kanten op kan in de veelzijdigheid die Arfeuille zo gretig opzoekt voor zijn oeuvre.