Deze King Lear, een coproductie van Ro Theater en KVS, begint terwijl de zaallichten nog branden. De scène is symmetrisch ingedeeld: vanuit de orkestbak lopen enkele traptreden naar boven, die zich vervolgens over de hele breedte van de zaal uitstrekken, en dood lijken te lopen op een groot paars gordijn. Zowel links als rechts is er vooraan een klein vlak voorzien. De nar, met de grote ogen van Lukas Smolders, die angstig en wereldvreemd heen en weer blikkeren, staat op een van die laatste treden en speelt op een fluitje. Ogenblikkelijk barst in de zaal het eerste gegniffel los. Het is duidelijk: hier mag gelachen worden, totdat het, natuurlijk, omslaat in bittere ernst - Koning Lear is een tragedie.
De graaf van Gloucester, tot de haren toe in het wit uitgedost, komt naar boven, samen met zijn onwettige zoon Edmund en de graaf van Kent. Er wordt een speech voorbereid: een microfoonstandaard wordt opgeschroefd, een kan water, bekertjes, een versterker en een muziekdoos worden vooraan op de rechterkant van het podium neergezet. Zo verheft het stuk zich samen met de rede van koning Lear. Hij staat op het punt zichzelf tot een protocolair relikwie te herleiden, door zijn land te verdelen onder zijn drie dochters. Het stuk dat elke dochter krijgt toebedeeld is recht evenredig met de hoeveelheid liefde die ze bereid is aan haar vader te verklaren. Goneril en Regan, respectievelijk gespeeld door Fania Sorel en Esther Scheldwacht, zijn afzichtelijk opgemaakt en aangekleed, en doen op een monsterlijke manier wat ze moeten doen: ze spreken in de micro uit hoe groot hun liefde voor hun vader is. Regan is zelfs bereid een stukje Stef Bos te vertolken: papa, ik lijk steeds meer op jou. Er doet zich echter al snel een probleem voor, want de integere, nog ongehuwde Cordelia wil niet doen alsof. Ze wil niet vervallen in nietszeggende woorden om toch maar zoveel mogelijk land als bruidsschat te verwerven; ze wil, met andere woorden, niet even acteren om bestwil. Lear ontsteekt in een ontzaglijke woede en verklaart dat Cordelia wat hem betreft niet langer zijn dochter is: ze wordt verbannen naar Frankrijk. Langzaam doven de lichten in de zaal.
De wil en het onvermogen tot acteren: dat is waar King Lear om draait - en de King Lear van Alize Zandwijk wel heel in het bijzonder. Het is vooreerst het visuele karakter van de opvoering dat primeert: men kijkt zich als toeschouwer de ogen uit. De kostumering van de acteurs verdient een hoofdstuk op zich, en werkt als een embleem voor alles wat deze enscenering probeert te bewerkstelligen. Alles is uitbundig, alles is overdadig, alles lijkt te refereren aan een nachtmerrie-achtige schimmenwereld vol gesculpteerde kleuren, over-acting, atletische gelaatsuitdrukkingen, geaccentueerde en ontblote lichaamsdelen, nadrukkelijk en in honderd-en-een verschillende taalregisters gebrachte tekstflarden. Het is theater als een stalenboek waaruit geen keuzes kunnen worden gemaakt, en dat een van de meest poëtische, woordrijke en romaneske stukken van Shakespeare omzet in een zedenschets, een platvloerse komedie, een familiedrama, een poppenkast-met-echte-lichamen, een fantastisch spektakel, een verkleedpartij, een experiment met de theaterruimte, een akoestisch vat vol extremen en een aaneenschakeling van zwaarwichtige en archaïsche monologen. Tegelijkertijd. De tekst - de vertaling van Hugo Claus - wordt als een brok lijm in draden van elkaar getrokken, naar alle hoeken van de theatrale ‘ruimte', waar nodig opgecementeerd of bijgeschilderd, als een rektest uitgevoerd door honderden grijpgrage vingers.
De vertolking van koning Lear zelf door Jack Wouterse is het gigantische, indrukwekkende, rustgevende maar helaas al snel onzichtbare middelpunt. Wouterse - en de koning met hem - lijkt het groteske tumult al snel onhandig te moeten ondergaan. Al die gekdoenerij van de anderen overkomt hem. Hij wordt van de ene naar de andere kant geslingerd - vaak onder het motto til ‘em op! til ‘em op! - maar neemt zelf nog nauwelijks deel aan de chaos die hij toch zelf heeft veroorzaakt door zijn impulsieve reactie op de eerlijkheid van zijn jongste dochter.
Ergens halverwege de voorstelling gaat het doek op, en blijkt de ondiepe scène met de trappen al die tijd niet meer dan een voorportaal te zijn geweest. Het stormt ondertussen: koning Lear beseft dat achter de geacteerde liefdesverklaringen van zijn oudste dochters niets dan opportunisme en winstbejag schuilging, en dat de koppige zwijgzaamheid van zijn jongste dochter integriteit en - inderdaad - liefde maskeerde. Het is te laat. Zijn onredelijke woede die alles in gang heeft gezet, ontspoort en komt terecht in een niemandsland van gebazel en krankzinnigheid. Dat wordt letterlijk weergegeven door de gigantische, podiumbrede trap die zichtbaar wordt van zodra het paarse gordijn is weggeblazen, en die doorloopt tot in de nok van de theaterzaal. Op deze trap, die net zogoed het uiterlijk heeft van een goedkope tribune in een of ander dorpscircus, troepen de acteurs in de rest van de voorstelling nu en dan samen op een eilandje: koning Lear ontdoet zich, staand voor een bosje struiken, van zijn kleren omdat hij beseft heeft ‘wat een mens maar is', terwijl de nar zijn schaamte probeert te bedekken; Cornwall blaast het orgel aan (en lijkt ook de wind te veroorzaken) in een zoveelste poging om de koning omver te stoten; Edgar, de wettige zoon van Gloucester, komt van onder de trap gekropen, verkleed als een zwerver en op zoek naar zijn vader; de trouwe Kent is ook vermomd weer opgedoken en rent met verbazingwekkende handigheid en vaart de trappen op en af - en nu en dan gebeuren al deze zaken tegelijkertijd, of in combinatie met ‘gewone' scènes vooraan het podium, op het vlak voor de trappen dichtbij het publiek.
Samengevat: tekstzegging en narratieve coherentie met de voeten getreden; eenheid van handeling verbroken; overzichtelijkheid, rust en ‘gewoon goede' acteerprestaties geëxplodeerd. Nu is het ongetwijfeld zo dat regisseuse Alize Zandwijk dit heeft gepland: Shakespeare ver- of uitbeelden, met lichamen als rekwisieten of special effects, eerder dan Shakespeare opzeggen of vertolken. Het is met andere woorden precies de ‘intentie' van de makers om (een stuk van) de reacties uit de pers op te roepen: ‘van hun rede beroofd kronkelen [de acteurs] als dieren, hun declameren is nog weinig meer dan tocht tussen de trappen' (Liv Laveyne in De Morgen); ‘Learke Plezierke gaat naar de hei' (Geert Sels in De Standaard); ‘King Lear is een poppenkast geworden dat [sic] uit de pamperbox is gehaald' (Guido Lauwaert in Knack blogt). Het gaat er daarbij (waarschijnlijk) niet om te choqueren en zich te verlustigen in afwijzende reacties - het komt er op aan dat de feitelijke vaststellingen worden geprovoceerd, maar het waardeoordeel - uiteraard - niet. Zandwijk zou kunnen zeggen, tegen de op hun sterretjes beknibbelende journalisten: ‘Het klopt wat jullie vaststellen, maar het klopt niet dat het daardoor plots om slecht theater zou gaan.' (Het is wat dat betreft, vanuit een cultureel-antropologisch standpunt, opmerkelijk en niet toevallig hoezeer de recensenten van deze King Lear in de Nederlandse kranten dezelfde kenmerken benadrukten, maar vervolgens met superlatieven strooiden.)
Waarom zou Alize Zandwijk deze stijl tot de hare gemaakt hebben? Hoewel er allerlei culturele, economische, psychoanalytische, concurrentiële of conceptuele redenen voor te bedenken zijn, lijkt er alleszins steeds een gering vertrouwen in het klassiek, ‘beperkte' theater uit te spreken. Wat wij naar goede gewoonte onder theater verstaan: nooit is het genoeg! Laat King Lear, als de uit-te-voeren theatertekst van Shakespeare dan, nu net een stuk over de mogelijkheden, onmogelijkheden en gevolgen van theater en tekstzegging zijn. De allereerste scène - laten we zeggen: de persconferentie - is de meest cruciale: koning Lear kijkt toe hoe zijn dochters één voor één spreken, en hoe vervolgens zijn jongste dochter niet spreekt. ‘Uit niets kan ook niets komen,' is zijn reactie, voorafgaandelijk aan zijn toorn. Al bij al is dat een van de meest vreemde reacties uit de wereldliteratuur. Is Lear een dwaas, die na decennia koningschap nog steeds niet weet dat niets is wat het lijkt? Is Lear een dementerende en al te trotse oude man die zijn driften niet langer onder controle kan houden? Of is Lear een gewiekste staatsman, die onder invloed van spin doctors acteert op het moment dat zijn dochter niet kan acteren? Misschien maakt de verbanning van zijn dochter naar Frankrijk deel uit van een ingewikkeld machtsplan (dat vervolgens dramatisch fout loopt, zodat Lear langzaamaan het onderscheid tussen werkelijkheid en fictie verliest). De ironische glimlach die tijdens de scène om de lippen van Jack Wouterse speelt doet alleszins zoiets - misschien onbedoeld - vermoeden.
Hoe ondoorgrondelijk en onuitputtelijk de machinaties van de macht en van het theater rond Lear ook mogen zijn, waar het in de bewerking van Alize Zandwijk om draait is dat geen enkele acteur nog zomaar wordt toegestaan om te acteren, en dat dit op een burleske en groteske manier onafgebroken en met dubbele dikke lagen in de verf wordt gezet. We kijken als toeschouwers met andere woorden naar een stuk dat origineert in een tekst (van Shakespeare) die subtiel de noodzaak en de afgrond van het acteren in een modern mensenleven verbeeldt. En daarenboven is er de bewerking van Zandwijk die er alles aan doet om het acteren binnen een modern theater onmogelijk te maken. Dat is - en ik sluit me dus aan bij de ‘Vlaamse' kritieken - van het goede te veel.