Een half uur voor aanvang van deze voorstelling zat ik in het café van de Vooruit. Iemand aan mijn tafeltje wierp een oog op het toegangsticket dat voor mij lag, en zei tegen haar partner: ‘Zelfs als het gratis was, ging ik daar nog niet heen.' Haar woorden waren nog net luid genoeg om voor mij hoorbaar te zijn, en er spande zich een web van grijnsgelach tussen ons drieën. Het is merkwaardig dat het jonge Gentse gezelschap Ontroerend Goed (hier bijgestaan door de Nederlandse collega's van Monk) al van bij voorbaat zulke hevige Pavlov-reacties weet op te wekken. Zelfs als het zo is dat Ontroerend Goed ‘naam' heeft gemaakt met truukjes en maniertjes die ondertussen zowel binnen het hedendaagse theater in het algemeen, als binnen ‘hun oeuvre' in het bijzonder, onaangename clichés geworden zijn, dan nog gebeurt er tijdens hun voorstellingen iets interessants - of dat nu een goede zaak is of net niet. Er kan over gesproken worden, of het zou althans moeten, eerder dan dat het wordt weggelachen.
In het geval van Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil begint al bij het begin - of eerder voor het begin. Het publiek dromt samen in het zaaltje voor de domzaal in de Vooruit, en wacht tot de deuren zullen openen. Eens het zover is, blijken aan het begin van die domzaal, en vervolgens net voor de tribune, acteurs te hebben postgevat. Ze heten het publiek welkom en schudden het de hand - waardoor het publiek dus plots ‘te gast' is of lijkt te zijn. Toeschouwers die er op tijd bij waren, mogen vooraan in een fauteuil aan een tafeltje zitten. (Of zijn ook dit betaalde acteurs, die tijdens de voorstelling wel heel hard lachen in vergelijking met het ‘gewone' publiek in de tribune?) Een meisje staat links van de scene achter een tafel en maakt glühwein, die ze in tientallen tasjes inschenkt en vervolgens uitdeelt. Terwijl het publiek op bescheiden wijze toestroomt, blijven de acteurs zich met hen bemoeien: ze begeleiden mensen naar hun plaats, verzekeren zich ervan dat iedereen het naar zijn zin heeft, en ‘beginnen' op die manier dus niet met het stuk. Waar en wanneer zou dat stuk dan wel begonnen zijn? Waar het dus op neerkomt is dat er dingen worden uitgeprobeerd. Baanbrekend is dat niet, maar het effect of het mislukken van die probeersels valt alleszins niet altijd even makkelijk te weerleggen of te verklaren. Dat is een verdienste.
Ook de voorstelling zelf blijft halsstarrig weigeren om een voorstelling te worden. Waar wij naar kijken blijkt een publieke repetitie te zijn: eerst letterlijk, als de acteurs in feestkledij allemaal samen op een erg houterige manier een kerstkomedie voordragen, naast elkaar op een rijtje voor de kerstboom; en dan figuurlijk, als ook deze enscenering uitrafelt en slechts in gekibbel uitmondt. Dan komt de ware toedracht uit de mouw: Ontroerend Goed en Monk vieren kerstmis, en ze hebben ‘ons' daarvoor ‘uitgenodigd'. Het is hun bedoeling om ‘samen met ons' kerstmis te vieren. Die bedoeling zakt al na vijf minuten in elkaar: als er een draaiboek bestaat van dit feest van gezelligheid, dan wordt het al van meet af aan niet gevolgd. Eerder worden alle mogelijke manieren van pseudo-theatraal samenzijn tijdens de eindejaarsdagen, in volstrekte nevenschikking doorlopen: we mogen elkaar omhelzen, we mogen elkaar het beste toewensen, we mogen glühwein delen met elkaar, we mogen zingen en neuriën, en op het eind mogen we een bijdrage leveren voor het goede doel door zoveel mogelijk euro's in de kerstmuts te laten vallen.
De vergelijking tussen de ervaring van het ‘kerstfeest' en die van het ‘theater' loopt op alle mogelijke manieren mank. Nochtans is het de vergelijking waarop deze voorstelling steunt: door theater en kerst met elkaar te vermengen, is het de bedoeling om beide toe te lichten en te versterken. Kerst vieren is intiem, privaat, jaarlijks; het origineert in een christelijke logica die nauwelijks iemand nog in ere houdt maar die wel doorwerkt; het is vaak een commercieel opgedreven evenement dat elk gezin honderden euro's kost; het dekt - maar ook dat is geen regel - familieruzies en onenigheden toe onder een deken van staakt-het-vurens. Theater daarentegen is democratisch, publiek, herhaalbaar; het origineert in een klassiek-burgerlijke logica die nauwelijks iemand nog in ere houdt maar die wel doorwerkt; het is zelden een zaak die gepaard gaat met grote bedragen, hoewel het ook deel uitmaakt van een wereld die beheerst wordt door managers; het probeert het doen-alsof dat het zelf is op gelijk hoogtes te brengen met het doen-alsof dat het leven (vaak) is. Kort gesteld: kerst trekt het geld van de wereld naar binnen en sluit zichzelf kort; theater trekt de wereld tegen betaling naar binnen en ontdubbelt zich dan in publiek en scene.
Omdat de kloof tussen kerst en theater niet overbrugd wordt, is Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil geen echt vrolijk kerstfeest noch een deugddoende theatrale ervaring. Paradoxaal genoeg ligt er één afwezigheid aan de basis van dit falen: niemand weet tijdens de duur van deze voorstelling nog wie of wat hij of zij is of zou moeten zijn. De kijkers zijn niet getuige van een intiem familiaal of vriendschappelijk kerstfeest dat fijn en bitsig uit de hand loopt, want ze worden voortdurend bij dit samenzijn betrokken! Hoe kan het dan nog om kerst gaan als iedereen ter plekke mag meedoen? En om dezelfde reden maken de acteurs geen geloofwaardig theater omdat ze voortdurend de narratieve en institutionele theaterbubbel die ze door ‘gewoon' te doen tot stand zouden kunnen brengen, aan flarden prikken: ze acteren moedwillig slecht, ze houden zich op waar dat niet zou mogen, ze beginnen opnieuw, ze maken ruzie over het vervolg van de voorstelling, ze vallen voor de elfendertigste keer het publiek lastig.
Dit is, met andere woorden, ‘grensoverschrijdend' theater waarbij elke grens onzichtbaar is geworden. Ontroerend goed probeert aan polsstokspringen te doen, maar het gezelschap is vergeten om de lat te installeren. Op die manier wordt het bijwonen van Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil sprokkelen voor gevorderen: hoe kunnen er binnen dit onwerkbaar kader, op een anekdotisch niveau, nog aangename dingen beleefd worden? Het probleem is dat er nauwelijks iets is om de anekdotes tegen af te meten. Als er bijvoorbeeld ruzie ontstaat tussen de acteurs omdat een Belg van Ontroerend Goed moet toegeven al jarenlang een hartsgrondige afkeer te hebben van wat al wat Nederlands is - en dus ook van de acteurs van Monk - dan is het maar de vraag wat dat zou kunnen betekenen. Is het een maatschappijkritische noot die de hypocrisie achter elk (kerst)samenzijn wil blootleggen? Is het een poging om humoristisch te zijn door middel van bekende nationalistische vooroordelen? Of is het precies een poging om ook daar weer de draak mee te steken? Probeert men te anticiperen op de ergernis die zich ondertussen van de toeschouwers meester is gaan maken, in een zoveelste ‘truuk' om hen toch maar bij de zaak te betrekken? Het blijft onduidelijk. Er zijn geen keuzes gemaakt, en het weinige dat gasten mogen verwachten, of ze nu naar het theater gaan of naar een kerstfeestje, is dat ze toch een klein beetje bij de hand worden genomen.
Op het eind, net voor de lichten doven en de zaal mooi versierd blijkt te zijn met honderden lichtjes, wordt er, zoals al vermeld, een collecte georganiseerd. Samen met het publiek zoeken de acteurs op het internet naar een ‘niet-gouvernementele organisatie' die de gulle giften waard zou kunnen zijn. Het publiek mag de handen opsteken, mag participeren, en mag vervolgens betalen. Een nieuwe maatschappijkritisch noot, aan het adres van alle evenementen waarmee westerlingen in de kerstperiode hun geweten proberen schoon te wassen? Het is mogelijk. Maar het confronterende zit hier op een ander en al bij al gevaarlijker niveau: omdat hedendaagse mechanismen van deelname en vervlakte democratie, omdat afwezigheid van grenzen en de afwezigheid van geïnspireerd auteurschap, zo alomtegenwoordig zijn tijdens deze voorstelling, wordt de toeschouwer overvallen door een vreemde angst. De hele wereld wordt een hels theater... iedereen mag meedoen... er is geen verschil tussen acteur en publiek... geen namaakgeld maar slechts ‘echt' geld... geen grens tussen wat echt is en wat slechts verteld wordt... geen hoop op inspiratie of talent... het is theater als een psychose.
Misschien is het net dat waar Ontroerend Goed en Monk hier op uit zijn: psychotische grenzeloosheid creëren om er zowel de goede als slechte kanten van te tonen. Maar is kunst dan niet vooral gevaarlijk en effectief als neurose, wanneer er een geconstrueerde wereld wordt gevormd die zich, dapper, autonoom en tegen de stroom in, nog durft te onderscheiden van de echte wereld?