'Zou dat nu Sint-Anneke zijn? Veel volk, hé? En daar, de jachthaven! 't Is goed, hé, om het ook allemaal eens van deze kant te zien, de Schelde en zo. Ik wist niet dat het hier zo schoon was. Wist gij dat? Wel veel vreemdelingen.' De oudere madam voor mij, net als ik met een dikke koptelefoon over haar dos, slaat echt overal haar snater tussen. Ligt het alleen aan haar? Of ook aan de voorstelling die we samen bekijken?
Geen groter cultuurwonder in Vlaanderen dan de Zomer van Antwerpen. Duizenden tickets zijn er beschikbaar, en al bijna twee maand op voorhand zijn die de deur uit, ook voor voorstellingen die in de Monty hadden kunnen staan voor amper een paar honderd kijklustigen. Zeg dan nog eens dat theater een nichekunst is. In Vlaanderen is de Zomer, naast Theater Aan Zee, het enige echte argument dat je kan inbrengen tegen alle criticasters van concepten als cultuurparticipatie, publieksverbreding en drempelverlaging. Er is niets opgedrongen of krampachtigs aan. Breed Antwerpen smacht blijkbaar elk jaar weer collectief naar de Zomer: naar zijn zomerbar aan de circusgrond, zijn films onder de aftandse kappen aan de Scheldekaaien, zijn muziek in de wijk, zijn theater op locatie, zijn molens en attracties op parken en pleinen. Even breed als dat aanbod is het bereik. Gezinnen met kinderen, vriendengroepjes van late dertigers, kranige oudere koppels op de fiets, alternatieve tienermeisjes: samen vormen ze op nauwe toeschouwersbankjes een publiek waarvan je je voorstelt dat het tijdens het seizoen nooit zo enthousiast cultuur of kunst consumeert als hier en nu, op hun Zomer. Wie of wat verklaart dat wonder?
In Tussen hond en wolf van het prille Antwerpse trio unm zitten we met zijn veertigen op een erg smalle tribune van tien bankjes hoog, in een open hangar nabij het clublokaal van de Watersportvereniging op Linkeroever. Op de muur staat in krijt nog een opschrift uit de Marius-trilogie van (toen nog) De Onderneming, een paar jaar geleden. De Zomer laat zijn sporen, koestert zijn traditie. Daarom horen theaterprojecten elk jaar graag uit te pakken met iets nieuws, iets creatievers, iets spectaculairders: na de uitgebeelde safety instructions van Louis van der Waal slaat een motor aan en begint onze tribune ineens achterwaarts de hangar uit te rijden. Tussen hond en wolf is theater on the move, de eerste parcoursvoorstelling waarin je en groupe op je lekkere reet kan blijven zitten. De onzichtbare tractor gaat de straat op, Van der Waal fietst er met zijn proloog vrolijk achteraan. 'Bestaat echte liefde op het eerste gezicht? Voor altijd?' Hij vertelt het relaas van een jongen en een meisje, die toevallig samen op de trein Antwerpen binnenrijden en hun weg niet kunnen vervolgen zonder even samen een zijweggetje in te slaan. Niet in het centrum, maar aan de rand. Op Linkeroever.
Een belangrijke succesfactor van de Zomer, maar ook van andere populaire festivals als Oerol of het Zeeland Nazomer Festival, is dat zijn locatiegegeven verder gaat dan grote ruimtes inpalmen als theaterzaal (zoals vaak op Theater Aan Zee). Op de Zomer vormt de stad zelf de scène en het decor: niet alleen als landschap, maar ook als levende, menselijke beweeglijkheid. Toneel plaatst zich in de werkelijkheid: in de drukke hall van het Centraal Station, in het nieuwe gerechtsgebouw, met voorbijglijdende tankers op de achtergrond. Soms gebeurt die werkelijkheidsvlucht louter evenementieel (‘we nemen de boot naar een vergeten natuurplekje in de haven', zoals voor tkofschip & tfokschaap van SkaGeN in 2003), maar veelal is er een inhoudelijk verband met de vertelling zelf: een verhaal over twee geliefden die elkaar telkens ontmoeten in het stationsbuffet, een rechtszaakdrama, een clash binnen een vissersgezin. Aan de basis ligt een keuze voor naturalisme en een helderheid-van-plaats die het klassieke negentiende-eeuwse theater met zijn huiskamerdecors ergens in de jaren 1980 aan de televisie heeft overgelaten. De brede goegemeente bouwt daar echter wel nog steeds zijn definitie van ‘goed toneel' op: een coherent verhaal binnen een duidelijk kader.
De stad van ooit
Plots verschijnen in ons blikveld, ter hoogte van de voetgangerstunnel onder de Schelde, beide figuren waarvan sprake in Van der Waals proloog. Kyoko (Scholiers) en Maarten (Westra Hoekzema) lopen op het voetpad, een vijftigtal meter achter de kar, te keuvelen over de gezinssituatie waar ze uit komen, en over hun korte- en langetermijnplannen voor het leven. Ze maken kennis, wegen het vlees in de kuip, dagen elkaar speels uit met vragen die voorbij de loutere beleefdheid gaan. En als het ineens te persoonlijk wordt, schiet er in hun kuierende gesprek altijd wel iets uit de levendige omgeving van Linkeroever te hulp. De jachthaven, een fietser, een moeder met kinderen op een bank... Beide spelers (als personages) gebruiken op hun lange wandeling langs Sint-Anneke de werkelijkheid om hun eigen theaterspel te downtunen, maar trekken ook de werkelijkheid in hun theater: benoemd door personages, ga je er met een andere bril naar kijken. Tegelijk wordt het publiek ook zelf een theatraal object. Er wordt door verwonderde voorbijgangers naar gegaapt, naar gezwaaid en mee gelachen, vooral omdat zij zelden doorhebben dat er ook acteurs in het spel zijn. Hun eerste indruk is een alternatieve sightseeing-kar. Lol!
Die directe interactie op de Zomer van Antwerpen met het leven van alledag past in een specifiek stedelijk opzet. Cultuur wordt ingezet ter verrassing en ter opvrolijking van de anonieme urbane omgeving, zowel voor de betalende toeschouwers als voor de toevallige passant. Wat hier eigenlijk geënsceneerd wordt, is een droom rond de sociale cohesie in Antwerpen, waar de verkiezingsuitslagen jarenlang een nachtmerrie suggereerden. Op Sint-Anneke alleen maar lachende gezichten waar Tussen hond en wolf passeert, als een montere momentane uitwisseling tussen onbekenden: een blik, een groet, plots een man die de rijdende tribune op video vastlegt terwijl hij het publiek uitnodigt om voor de lens enthousiast terug te zwaaien. Zoveel contact charmeert, al neigt onze passage aan de drukke ‘plage' bijna naar voyeurisme of zelfs exotisme. Hier krijgen we het ware volkse Antwerpen te zien, in een uitpuilende roze bikini of met een pekineesje aan de leiband, als op een foto van Jimmy Kets. Dat die oudere madam voor mij het allemaal zelf mee becommentarieert, ligt niet alleen aan haar snater, maar ook gewoon aan de Zomer: die levert menselijk toerisme in eigen stad, een ontdekkingstocht naar zowel het bekende als het onbekende. Stadsinburgering.
Je zou er, net als madam, bijna de voorstelling bij vergeten. Op de plage komen Kyoko en Maarten al tot hun eerste tongzoen, bij een liefdesliedje van een straatmuzikant ter hoogte van de lokalen van Radio Minerva. Die innige kus maakt van Tussen hond en wolf een gedroomde liefdeswandeling in fast forward, al zijn de drie spelers er in hun schriftuur in geslaagd om er een kuierend, heel geloofwaardig ritme aan te geven. Verpakt als herkenbare anekdotes passeren in hun dialogen de meeste Levenskwesties: liefde, afscheid, jong zijn, dood, kunst. Maarten is de would-be schrijver-filosoof met te veel onhandige eerlijkheid voor zijn verleidingstips uit de boekjes. Net daar valt de onafhankelijke, ietwat idealistische Kyoko voor, al speelt ook haar uitgesproken verlangen naar een perfect gezin mee. Hoge dromen en toekomstidealen kruiden zo het eerste deel. Je zou ze - door hun romantiek - in tegenspraak kunnen vinden met het hoge werkelijkheidsgehalte van spel, dialoog en locatie, maar het omgekeerde is waar. De oorspronkelijkheid van de omgeving, eens verder op de Scheldedijk, voorbij de drukte en tussen het riet, is noodwendig voor de herinnering aan de idylle van jong en acuut verliefd zijn, waar Tussen hond en wolf bij zijn publiek op speelt.
Autochtoon authentiek
Het is ook die oorspronkelijkheid die het uiteindelijke succes van de Zomer uitmaakt. Theatervoorstellingen vluchten niet alleen naar de werkelijkheid toe, maar er ook van weg. Ze nestelen zich in de onbesmette natuur (zoals deze editie de kinderproductie Er is iets in het bos), of op een plek met een zekere nostalgie (zoals Altijd ‘tzelfde van Tristero in een oud volkscafé): weg van de snelle, modernistische, postindustriële chaos van het centrum, van deze tijden. De Zomer biedt een collectieve uitstap, zoals in ‘de uitstap uit kernenergie'. In de diepte is dat geen droom vooruit, maar een idyllisch terugverlangen.
Een beetje pervers wordt het zelfs als je de soms gespannen interculturele situatie van Antwerpen mee in rekening brengt. Waar Muziek in de wijk daar nog een positieve draai aan wil geven met pleinconcerten georganiseerd door plaatselijke verbanden, wordt het diverse samenleven in de podiumprogrammering totaal genegeerd. Van alle Zomers van Antwerpen kan ik me in elk geval geen locatievoorstelling herinneren die met die spanning werkt, of het allochtone deel van ‘A' mee aanspreekt. Confrontatie als artistiek concept is sowieso zeldzaam in het podiumaanbod van de Zomer. Hardnekkig is de globale sfeer van vreugde, generositeit en verzoening. Maar voor en met wie? Ook in Tussen hond en wolf wordt Sint-Anneke gepresenteerd en zelfs geënsceneerd als de fijne zondagse ‘trip naar buiten' van de Sinjoor, niet als troosteloze dumpplaats van het sociaal-economische afval van Antwerpen. Aan de blokken op Linkeroever wordt straal voorbijgereden, je ziet de bewoners ervan ook niet tussen het publiek. Het maakt van de brede participatie op de Zomer (zo ook van de Gentse Feesten, trouwens) minstens een dubbelzinnige kwestie. Alle terugverlangen naar oorspronkelijkheid lijkt een drang naar ‘Antwerpen zoals het ooit was, van onszelf'.
Dat kan je natuurlijk niet verwijten aan unm, het gezelschap dat ex-Studio-genoten Scholiers, van der Waal en Westra Hoekzema in 2007 oprichtten voor hun eersteling Bye Bye Buchenwald. Die toonde toen in een surreële sfeer het einde van een relatie, nu wilde het trio in zijn tweede project een blanco begin laten zien. Mooi aan Tussen hond en wolf is dat het daar niet stopt. Nadat Kyoko en Maarten op het einde van de Scheldedijk met de nodige emotionaliteit afscheid genomen hebben (zo hadden ze het, als toppunt van romance, ook afgesproken), komen we ze even later voorbij de bosjes weer tegen in hun leven van acht, negen jaar later. Maarten is getrouwd en schrijver geworden, weliswaar van een banaal boek vol huwelijkstips. Kyoko werkt in de lokale bib, en heeft hem buiten zijn weten uitgenodigd voor de lezing waar hij uit buitenkomt. Het wordt een eerste weerzien vol ondergeschoven tragiek en niet ingeloste verlangens: het gangbare dertigersportret, als in Dagen zonder lief. Unm weet er wel mee te treffen, omdat Scholiers en Westra Hoekzema blijvend hun balans houden tussen anekdotische kleuring en gevoelige diepgang. Met droefenis om wat toen wel kon, maar in volle aanvaarding van wat het nu geworden is.
Het is het hoogste wat je op de Zomer van Antwerpen kan bereiken: ook los van je ervaringsconcept iets vertellen wat raakt. Al zal onze madam er wel iets anders mee bedoeld hebben, ze vatte het goed samen toen ze besloot: 'een goed uurke hebben we gehad.' Een evaluatie met alle dubbelzinnigheid die daar op de Zomer bij hoort...
Wouter Hillaert