Een doodlopend straatje Kroum, KVS // Krum, Krzysztof Warlikowski

Author: Elke Van Campenhout

Wanneer Kroum na een niet nader bepaalde reis terug naar huis keert, is er nagenoeg niets veranderd in dat troosteloze gat. Zijn moeder brengt haar tijd door met schurpen en klagen. Zijn ex Trouda is, ondanks haar nieuwe verloofde, nog altijd even aanhankelijk. Zijn vriend Toegati sputtert zonder onderbreking zijn neurotische monologen. En de buren ontpoppen zich, bij het zien van het ene na het andere zo mogelijk nog miserabelere trouwfeest, als emotionele gieren en kleinzielige kritikasters.

Dat is het wereldje van Kroum, een man die uit het gat van de wereld is gekropen, en er zonder enige hoop naar terugkeert. Een dorp zoals een ander, waar je enige uitweg uit de ellende erin bestaat dat je kan trouwen met een andere miserabele zot, om vervolgens al even miserabele kinderen op de wereld te zetten. En als we de verhouding tussen Kroum en zijn moeder onder de loep nemen, komt het plezier van twee kanten.

Schrijver van dienst is Hanoch Levin, die een paar jaar geleden al scoorde in de KVS met Schitz, in een grotesk uitvergrote regie van David Strosberg (in deze voorstelling trouwens de nieuwe minnaar van Trouda). Levin was een veelschrijver, die in eigen land furore maakte met zijn zwarte komedies, en de ongezouten politieke boventoon van heel wat van zijn stukken. In De koningin van de badkuip (1970) haalt hij bijvoorbeeld scherp uit naar de ambities van de Israëlische staat, wat hem een storm van protest en een hoop internationale belangstelling opleverde. Bij het kijken naar Kroum, valt deze couleur locale echter absoluut niet op. Dit stuk had even goed in het Vlaamse repertoire kunnen gedijen, met zijn donkere provincialisme, en koppige Weltschmerz.

In de regie van Ruud Gielens wordt het verhaal stevig ingesnoerd in een alles overheersend decor: een gigantische blokconstructie die de hele voorstelling kadert, en inpast in de doorkijkjes van een aseptisch wit gelakte opbergkast. De acteurs nestelen zich in de voorgeprogrammeerde uitsparingen, persen hun levens in de krappe nissen, zichtbaar voor iedereen, dicht op mekaar gepakt, als in een sociaal woningblok zonder uitzicht. Gielens laat zijn personages ook verder weinig speelruimte: de tekst wordt gedebiteerd zonder veel inleving. Elk van de spelers heeft een unieke tic opgepikt, die ze vervolgens de hele voorstelling blijven uitspelen: een verontrustend uitbundige Evelien Van Hamme als Doepa, een straatslettige An Hackselmans als Troeda, en een zongebruinde geile Youri Dirkx als Italiaanse bok van dienst. Herman Gilis, loopt er als Kroum allemaal wat tegenaan te kijken. Zijn personage neemt geen enkele verantwoordelijkheid, laat zijn verloofde op de valreep met een ander naar het altaar lopen, en koestert enkel nog een vage ambitie om zijn ultieme roman te schrijven. Ook dit personage blijft een voorstelling lang hangen in een weinig geïnspireerde ironische verwaandheid, die enkel wordt onderbroken als hij halsoverkop verliefd wordt op de kosmopolitische Tswista.

Bij het kijken naar deze voorstelling, werd ik dan ook overvallen door een aanvankelijk vage en later steeds koppigere twijfel aan de kwaliteit van de tekst van de politiek op handen gedragen Israëliër. Hanoch Levin mag dan al de protestschrijver van de eeuw zijn, in dit stuk vond ik in deze enscenering weinig meer terug dan kleinburgerlijke, dorpse geborneerdheid, en het eindeloze verlangen naar meer, dat aan elk initiatief ontsnapt. Simpelweg omdat er ter plaatse geen alternatieven te vinden zijn, en omdat zelfs een trip naar het buitenland doodloopt in het eigen onvermogen tot verandering. Niet politieker dus dan een ietwat stroeve Claus of een kreupele Streuvels. Alle politieke ambities ten spijt, stemde zowel de enscenering als mijn begrip van de tekst mijn oordeel af op 'doorsnee Vlaams theater', van het soort waarvan je je afvraagt waarom het vandaag per se nog gemaakt moet worden. Of voor wie. De realiteit van de voorstelling stond voor mij dan ook in scherp contrast met de ambities die uit de programmatekst spraken, waarin de politieke positie van Levin rijkelijk wordt geëtaleerd, en waaruit dan ook de suggestie spreekt dat ook ‘Kroum' een bij uitstek politiek stuk zou zijn.

Een week later zit ik in de zaal voor alweer een Kroum, deze keer in regie van de Poolse theatermaker Krzystof Warlikowski (‘Krum'). Het scènebeeld is hier dubbelzinniger, donker uitgelicht, atmosferisch. Dezelfde personages draven op, hetzelfde verhaal ontspint zich, woord voor woord. Maar de impact van de tekst is plots compleet verschillend. In plaats van een belerend, cynisch stuk over een achterlijk dorp zoals zo vele, ontwikkelt zich hier plots een dieptragisch existentialistische komedie. Eén en ander ligt ongetwijfeld aan de acteurs, die erin slagen om de bordkartonnen karakters een diepte mee te geven, die hun tweedimensionaliteit ruim overschrijdt. De moeder is in deze versie een hartverscheurende mengeling tussen een oud besje en een harteloos kreng. Tswista niet langer een ongenuanceerde hartenbreekster, maar een slachtoffer van haar eigen schoonheid, die ze momenteel ten gelde maakt in een groezelige bar in de stad. Die troebele atmosfeer overheerst de hele voorstelling. De nachtclubscènes, de momenten in het ziekenhuis waar de doodzieke Toegati eenzaam ligt te creperen, het moment waarop Kroum in de toiletten van diezelfde club hoort van de dood van zijn moeder. Het moment waarop Doupa, deze keer geen goedlachse West-Vlaamse, maar een onvervalste bitch ingesnoerd in een lederen maliënkolder, haar onfortuinlijke huwelijk op de klippen laat lopen.

Bij Warlikowski zijn dit geen momenten van ironische afstand, maar van een herkenbaarheid die je als toeschouwer recht in het hart en het denken treft. Kroum is niet langer een stuk over achterlijke sukkels, maar een stuk dat de onmogelijkheid van menselijke verhoudingen, van ouders en kinderen, vrouwen en mannen, vrienden onder mekaar, pijnlijk zichtbaar maakt. ‘Kroum' is geen politiek stuk, in de zin dat het een statement maakt over de organisatie van de wereld. Maar het maakt wel een statement over de verhoudingen die die organisatie vooraf gaan. Over het diepmenselijke onvermogen om fundamenteel voor de ander te kiezen. Om meer te zijn dan de toeschouwer van zijn eigen besognes. In die zin wordt de laatste scène waarin Kroum de rouw om zijn moeder bijeenharkt voor een later tijdstip, een symptomatisch moment voor een samenleving waarin de dood, net zoals de liefde, geparkeerd wordt ten voordele van de eenduidige stroom van prikkels en beslommeringen die de alledaagsheid voortstuwen naar zijn ongeïnspireerde einde.

Met andere woorden: Warlikowski slaagt erin om de tekst van Levin een universele kwaliteit te geven, die in de voorstelling van de KVS pijnlijk ontbrak. Tegenover de transparante, rechttoe rechtaan aanpak van Gielens, plaatst hij de donkere krochten van de binnenstad, borrelend van frustratie en seksueel inuendo. Tegenover de niets-in-de-handen-niets-in-de-zakken acteerstijl, staat het vermogen van de acteur om tegelijkertijd het één en het ander te zijn. Tegelijkertijd daar en hier. Tegelijkertijd zichzelf en mijzelf. En het is precies vanuit die verwarring, die de kracht van het theater uitmaakt, dat het stuk herkenbaar wordt. Niet in de netjes geannonceerde politikwaliteit van de programmabrochure, of het dramaturgisch verantwoorde decorontwerp. Maar in de nuance, het luisteren naar de tekst, zonder hem te verplaatsen naar la Flandre profonde, of in te passen in de ambities van het eigen huis. Te veel herkenbaarheid is dodelijk voor de fantasie. En waarom moeten we dan nog naar het theater?

share

Naar een ontwikkelingsbeleid voor de podiumkunsten

Read more