Al tien jaar lang maakt het Antwerpse spelerscollectief Olympique Dramatique theater - zoniet volgens een formule, dan toch met een aanpak. Het uitgangspunt is nagenoeg altijd een groep mensen, samengebracht in de ruimte en in de tijd, waarbinnen een conflict ontstaat. Dat conflict is ‘oud' en ‘echt': het vindt aansluiting bij de grote verhalen van de twintigste eeuw, eerder dan bij de dagelijks veranderende probleempjes van de vroege eenentwintigste eeuw. De krippel en The Lieutenant of Inishmore, bijvoorbeeld, gingen over de Ierse zaak, de strijd van de IRA en het ermee gepaard gaande geweld. In hun bewerking van De geruchten van Hugo Claus werd de breuk van een jongeman met een Vlaamse dorpsgemeenschap geënsceneerd. En ook in de televisiereeksen De Parelvissers en Van vlees en bloed, waaraan acteurs van Olympique Dramatique meewerkten en die hen ook bekend maakten bij het grote publiek, stond het contrast tussen oude waarden, zwijgzaamheid en beroepseer, en jonge vrijheid, ironie en relativisme centraal. Olympique Dramatique recycleert dus harde kernen uit de geschiedenis, en maakt er snelle, jeugdige en - zoals dat dan heet - hilarische voorstellingen mee. Ze gieten een even bijtend als in het oog springend zuur over een huis clos-situatie, en kijken dan samen met het publiek naar wat er overblijft - naar wat niet weg te werken valt en naar wat niet om mee te lachen is. Geldt dat ook voor hun laatste voorstelling - wat rest er na hun bewerking van Adams appels, de film van de Deense regisseur Anders Thomas Jensen uit 2005?