De erfenis De Geruchten, Olympique Dramatique & Toneelhuis

Author: Christophe Van ...

Het jonge theatergezelschap Olympique Dramatique heeft een toneelstuk gemaakt van de laatste grote roman van Hugo Claus, De Geruchten uit 1996. Het is een allegorisch, meerstemmig boek, waarin, zoals in nagenoeg al het werk van Claus, de ‘modernisering' van een Vlaamse gemeenschap in het licht wordt gesteld. Die modernisering neigt stilaan naar een aftakeling of vernietiging, en wordt op een zowel ontroerende als spottende manier beschreven. Er is geen waarheid en dus geen overkoepelde reden voor de gebeurtenissen - maar de inwoners van Alegem zoeken en vinden toch slachtoffers en zondebokken, geholpen door het verzinnen van een komisch maar giftig arsenaal van achterklap, geruchten, beschuldigingen, overspel, leugens, domheid, onverwerkte verledens en slechte karakters. Met andere woorden - de woorden van het tweede motto bij de roman van Claus: ‘La démarche des Belges, folle et lourde.'

Olympique Dramatique werkt voor deze voorstelling onder de vlag van het Antwerpse Toneelhuis. Ze lieten zich ditmaal regisseren door artistiek leider Guy Cassiers, terwijl ze totnogtoe meestal zelfstandig werkten. Hierbij hebben ze de aanpak van Cassiers, als balorige tieners, op een bijzondere manier geïncorporeerd. Het voor hem typische gebruik van videobeelden blijft bijvoorbeeld achterwege. De andere esthetisch-technische elementen van Cassiers' poëtica zijn wel aanwezig, maar op een bijna ironische manier. De technologie in De Geruchten hapert, en stelt zichzelf op die manier aanwezig. Micro's werken soms niet waardoor een stem staccato spreekt; personages lopen zich te pletter op die micro's; of dichten ze door hun activiteiten ronduit fallische kenmerken toe. Het gaat daarbij dus niet alleen om een koppige vrijheidsdrang van Olympique Dramatique, alsof ze de samenwerking met Cassiers voortdurend tegenwerken. Belangrijker is dat De Geruchten een auditief stuk wordt, een geluidsband, een soundscape - ‘geruchten' zijn niet enkel roddels die de ronde doen, maar ook geluidserupties in het donker, gestommel op de gang. Het zou onderzocht moeten worden, maar een van de medewerkers van deze voorstelling beweerde in een interview dat De Geruchten ook voor blinden genietbaar zou kunnen zijn.

Claus' roman is opgebouwd uit korte hoofdstukken die telkens als titel de naam van een personage dragen. In het theater heeft die vertelinstantie een wonderlijke pendant gekregen: boven de scène hangt een pre-digitaal uurrooster zoals dat nog slechts in vergeten provinciale stations wordt gebruikt. Ook dat wordt, zoals alles in deze voorstelling, een akoestisch gegeven: de zwarte plaatjes met witte of rode letters ratelen totdat enkel nog de namen DOLF en RENE zichtbaar blijven. Er wordt dus niet zozeer een geïmpliceerde verteller aangekondigd als wel een reeks personages waarrond de scène draait en die de handeling bepalen. Als er al een verteller is in dit toneelstuk, een stem die de gebeurtenissen op een eigen manier brengt en voorstelt, dan is dat de stijl van het stuk - of de stijl die voortkomt uit het korte huwelijk tussen Cassiers en Olympique Dramatique. Die stijl, die zich hier zoals gezegd vooral uit in de omgang met de techniek, is ironisch op het komische af. Er is weinig dat niet toch minstens één bulderlach aan het publiek weet te ontlokken. Nochtans is de vertelstof die in De Geruchten neerslaat zware kost: koloniale drama's, zwakzinnigheid, collaboratie en repressie, moord en doodslag, pedofilie en incest, epidemische ziektes en het onvermogen tot communicatie. Het zijn tragikomische gegevens, die door niemand beter dan door Claus met de nodige ambiguïteit benaderd worden.

In de openingsscène van de voorstelling zit de uit Congo teruggekeerde zoon René met ontbloot en door machetes verminkt bovenblijf op een soort sokkel links vooraan op het podium, met zijn rug naar het publiek. Dolf, zijn vader, staat links achter een microfoonstandaard, met zijn gezicht naar het publiek. Het blijft stil, maar niet voor lang: Dolf zoekt naar woorden, stamelt de vertrouwde Clauseske gemeenplaatsen over politiek, over het weer, over geld en over negers, zonder dat hij er in slaagt contact te maken met zijn zoon, die blijft zwijgen. Dan komt moeder Alma erbij staan, net terug van de supermarkt, en haar naam verschijnt als derde op het letterbord. René blijft zwijgen, totdat hij - en dat is een gruwelijke want kolossale geste - met zijn rechterhand een gigantisch mes tevoorschijn haalt, dat bijna de hele breedte van het podium in beslag lijkt te nemen en dat in de richting van zijn ouders priemt. Ben Segers speelt een zwijgende, indrukwekkende René Catrijsse, de verloren zoon die terug thuiskomt na een vreselijke periode in een koloniale oorlog, die ‘modern' geworden is, en die de Vlaamse, dorpse mentaliteit niet langer onbewust kan beleven. Zijn terugkomst luidt het overlijden in van talloze bewoners van Alegem, en al snel wordt beweerd, door middel van een reeks sissende geruchten, voornamelijk uitgesproken in café De Doofpot, dat René een of andere tropische ziekte heeft binnengebracht in de Alegemse gemeenschap. Het gezin Catrijsse wordt zonder omhaal met de vinger gewezen, en - we schrijven de jaren zestig - het collaboratieverleden van moeder Alma wordt middels geschilderde hakenkruisen op de gevel van de woning van de Catrijsses, opnieuw zichtbaar gemaakt. Op het eind wordt echter ook René ingehaald door zijn verleden, en vermoord door zijn overste. In een hallucinante scène in het tweede deel van de voorstelling, begint René toch te praten - en hoe: alle gruwelen uit Afrika passeren de revue, terwijl hij op een bed in de duisternis van een bordeel ligt, als kolonel Kurtz uit Apocalypse Now van Coppola. In de theaterversie van De Geruchten is René dus zonder meer het hoofdpersonage, omdat hij in al zijn complexiteit naar voor komt. Maar hoe brengen en ervaren wij de tragiek van een twintigste-eeuwse jongeman uit de jaren zestig, nu, aan het begin van het derde millenium? Wat betekent het nog om geconfronteerd te worden met die vreemde, komische, Vlaamse dorpsmensen die zo raar doen en zo grappig en die toch niet bijster slim zijn? Wat is de erfenis van de thematiek van het werk van Claus, van het verdriet van België uit de twintigste eeuw?

Ben Segers neemt - zoals alle acteurs dat hier doen - nog een tweede rol voor zijn rekening: die van de ondergedoken Duitse officier, die bij Alma, tijdens de Tweede Wereldoorlog, een kind heeft verwekt - René. Dit personage, onbeweeglijk, verkrampt en oud op een draagberrie, draagt bij tot de tragiek van Alma, die hem bezoekt om verslag uit te brengen over de terugkeer van René. Alma - rol van Katelijne Damen - is een onbeholpen, liefdevolle moeder, zoals haar naam (‘ieders moeder') laat vermoeden. Ze belichaamt de intelligentie van de emotie, de afwezigheid van een oordeel, de teloorgang door het wrede, rechtlijnige gekonkel van de mannen rondom haar. Zoals bijvoorbeeld haar echtgenoot Dolf, een dommige, licht ontvlambare, onbruikbare vaderfiguur - rol van Marc Van Eeghem, die ook de priester van Alegem vertolkt, de aanvankelijk barmhartige maar uiteindelijk scherp en ongenuanceerd veroordelende Eerwaarde Heer Lamentijn. De ondergang van Lamentijn - ook hij is gegrepen door de blauwe builenpest - is letterlijk belachelijk te noemen. De diarree die de ziekte met zich meebrengt, wordt tijdens zijn laatste donderpreek in de kerk in alle akoestische hevigheid naar voor gebracht. Voor hedendaagse mensen zoals wij en Guy Cassiers en de jongens van Olympique Dramatique betekent priester Lamentijn dus vooral amusement - hij is amusant, en we kijken naar hem zoals naar een koddig circusaapje, zonder dat we nog maar zouden kunnen proberen om ons een beeld te vormen van wat er zich in hem afspeelt. Het (rooms-katholieke) verleden van België wordt dus ongenadig aan de kant gezet, en dat is - nogmaals - een bij uitstek stilistische zaak. Als de schriftuur van Claus in De Geruchten ervoor zorgt dat niemand beter af is dan een ander, en dat alles altijd onbeslist blijft, treurig én grappig, vol mededogen én afwijzing - dan is de stijl van Olympique Dramatique en Guy Cassiers van die aard dat wat er gebeurt intrigerend en vermakelijk overkomt, maar dat het nooit echt imponeert.

In de laatste zin van de roman De Geruchten wordt de klassieke combinatie van tederheid en sarcasme samengebald. Het laatste woord is aan het koor, het ‘Wij', dat de lezer openlijk toespreekt: ‘Weet ge wat, stuur Alma eens een ansichtkaartje. Dat doet altijd plezier.' In de voorstelling wordt het koor eveneens op een intelligente, spitsvondige manier vertolkt - de enscenering zit zoals gezegd vol vondsten en intrigerende stilistische ingrepen. Met hun rug naar het publiek zitten de stamgasten van De Doofpot op een rijtje barkrukken. We zien hen omdat er, op de plaats van de ‘toog', een brede spiegel schuin en hoog is opgehangen. Het eindspel van de theaterversie is echter volledig voorbehouden aan Alma, en wijkt op die manier van alle scènes het meest af van de roman. Het gezin Catrijsse is als het ware vernietigd door de geruchten, en blijft alleen en verguisd achter. ‘Hij is terug,' zegt Alma, ‘René': ze weet niet dat haar teruggekeerde zoon een van de vele doden in Alegem is geworden. Haar tragiek en slachtofferschap is onversneden, maar ze blijft ook iets dommigs over zich hebben, iets fundamenteel onwetend, alsof ze toch weer onbereikbaar en onbegrijpelijk is voor ons, moderne slimme mensen. Elke terugblik op de geschiedenis is noodzakelijkerwijs reducerend, maar is het dan niet net de fictie en de kunst die de toegang tot die geschiedenis open zouden moeten houden? De Geruchten stelt, misschien grotendeels onbedoeld, interessante vragen naar de omgang met die erfenis.

share

Naar een ontwikkelingsbeleid voor de podiumkunsten

Read more