Dames en heren, jongens en meisjes! Circus Weichmann presenteert een geweldige show met in de hoofdrol Rico en Pipo Marcellini! Ze vormen al jarenlang een ongewoon duo en zullen uw adem benemen en uw hart sneller doen slaan met acts als ‘Toetan Kanon' en ‘De Rosse Rodeo'... Althans, zo moet het ooit geweest zijn in de gloriedagen, want de twee clowns zijn vanavond niet op hun best. Ze oogsten niet veel applaus meer. De kleine Rico met zijn atletische lijf is verworden tot een extroverte klager. De grote woordkunstenaar Pipo is een binnenvetter en een stiekeme drinker. In de piste proberen ze het hoofd recht en de eer hoog te houden, maar achter de schermen valt hun kaartenhuis onherroepelijk in elkaar.
Dimitri Leue en Bruno Vanden Broecke nemen ons in De Marcellini's (16+) van HETPALEIS mee naar de onderkant van de artiestenwereld, naar de pijn en de moeite die normaal verborgen blijft in de coulissen. Geen noodzakelijke stress om elkaar tot een hoger niveau te stuwen, maar een uitgeblust conflict van mannen die elkaar al te lang op de lip zitten. De mogelijkheid om te stoppen op het hoogtepunt van succes hebben ze lang geleden aan zich voorbij laten gaan. Pas op, ze kunnen best nog wel wat: Pipo (de artiestennaam van clown Bruno, gespeeld door Vanden Broecke) kan jongleren en ladderlopen, en Rico (oftewel Demi, het clownspersonage van Leue) rijdt rond op een minifietsje en doet flikflak achterover. De act met een achterwaartse salto van een paard mislukt, maar dat ligt naar eigen zeggen aan het paard en niet aan de man.
Kijkkast
De enige circuskunstjes die we in de voorstelling effectief te zien krijgen, zijn de opwarmingstrucs die nog snel geoefend worden voordat Demi en Bruno de fictieve piste betreden. Ook al eisen de trucs geen hoofdrol op, acteurs Leue en Vanden Broecke hebben er lang op getraind (samen met de Antwerpse straatartiest Jack Jaxx) vanuit de overtuiging dat het er echt moet uitzien. Juist de ‘simpele' oefenstunts moeten overtuiging en suggestiviteit hebben. Soms ontlokt een salto of jongleeract wel applaus bij ons, het publiek, maar dat zijn de vrolijke uitschieters in een overkoepelende sfeer van treurigheid die Leue en Vanden Broecke weten op te roepen. Snel wordt de Pavlov-klapreflex weggestopt om plaats te maken voor medelijden met deze clowns op retour.
Aangezien het duidelijk om de clowns te doen is en niet om hun fratsen, is het logisch dat de voorstelling zich ‘off-stage' afspeelt. Op de voorgrond is de kleedkamer te zien, inclusief repetitievloer en pas daarachter een grote halfronde constructie die de circuspiste suggereert. De vormgeving van Jan Strobbe is mooi: de constructie is gemaakt van doek, waar met behulp van de belichting soms wél, en soms niet doorheen gekeken kan worden. Zo bakent het de twee speelvlakken (‘stage' en ‘off-stage') op een doeltreffende en esthetische manier af. Op het eerste plan is de coulisseruimte ingedeeld in drie zones, met in het midden de grimetafels, rechts daarvan de kastjes met kostuums en links de oefenvloer met alle circusattributen. Het is realistisch op het eerste gezicht, maar wie beter kijkt, merkt dat alles er oud en versleten uitziet. Hetzelfde geldt voor de kostuums van het ontwerp van Barbara De Laere. Clownspakken van gestreepte shirts, bretels en een bolhoedje, alles in zwartwit-tinten. Ook hier geldt dat na een tweede blik alle zwart grijs blijk te zijn en het wit vergeeld, dank zij een speciaal product waarmee De Laere de stoffen behandelde. Samen met het kijkkasteffect van het decor van Strobbe geeft het geheel een sluimerend gevoel van vergane glorie.
Het publiek achter de schermen van een fictieve voorstelling laten kijken, is overigens verre van nieuw. Kort geleden was eenzelfde vormconcept nog te zien bij luxemburg (Zucht) en SKaGeN (Deurdedeurdeur). Bij de laatstgenoemde komedie van Michael Frayn werd mogelijk inspiratie opgedaan, want ook daar speelde Vanden Broecke in mee. Het boek Meningen van een clown (1973) van de Duitse schrijver Heinrich Böll stond dan weer aan de inhoudelijke wieg van de voorstelling die de twee acteurs zonder regisseur, maar met dramaturge Kerensa Verhoosel maakten. Het clownpersonage dat zichzelf in een hotelkamer opsluit, toegeeft aan zijn alcoholverslaving en zijn succesvolle carrière kwijtspeelt, is duidelijk terug te zien in het personage Bruno. Het levensverhaal van het personage Demi lijkt eerder geïnspireerd te zijn op Adriaan, lid van het beroemde duo Bassie en Adriaan. De Nederlandse acrobaat werd ernstig ziek en wilde stoppen met optreden tegen de zin van zijn broer in. Het leidde tot een professionele en persoonlijke breuk.
Deus ex machina
Een ernstige ziekte is wat ook in De Marcellini's de werkrelatie en vriendschap van Demi en Bruno nekt, al duurt het tot het einde van de voorstelling voordat dat duidelijk is. We worden op het verkeerde been gezet door Demi, die alle schuld van het mislukken in de schoenen van zijn maat schuift (hij voert geen donder uit en drinkt te veel). Zijn verwijten en aansturen op conflict verbloemen echter de waarheid, die ons alsnog als een soort deus ex machina overvalt in de slotminuten. Het kan aan de avond liggen, maar de ‘goddelijke instantie' die het einde aankondigt dat alles in een ander perspectief plaatst, komt niet echt geloofwaardig over. De oplossing daalt niet zoals vroeger uit de hemel op ons neer, maar uit de ether: met de stem van een verloren geliefde via de intercom. Zij dwingt Demi om aan zijn zielsverwant Bruno te zeggen dat hij kanker heeft (onbenoemd, maar de uitspraak 'het zit overal, niets meer aan te doen' zegt meer dan genoeg). Niet de grote clown blijkt dus de oorzaak te zijn van hun einde als duo, maar de kleine.
Door de plaats van deze openbaring binnen het geheel van de voorstelling verklaart de ziekte pas in de slotminuten Demi's doorlopende gezeur over hoofdpijn en zijn mislukte salto van het paard. De wetenschap dat kanker de oorzaak is, geeft een extra dimensie aan De Marcellini's, maar in een (te) laat stadium. Als toeschouwer is het fijner wanneer je zelf gaandeweg al kunt mee puzzelen, zoals bij een spannende detective. Hier en daar een subtiel tekentje oppikken en insinuaties met elkaar verbinden - net zolang tot je halverwege denkt ‘hier moet meer aan de hand zijn' en achteraf ‘zie je wel, ik wist het!'. Jammer genoeg ontbreekt dit in de voorstelling en zit de enige subtiele verwijzing naar een omkering van de situatie in het uiterlijk van de twee personages, meer bepaald in hun schmink. Aan het begin van de voorstelling is Demi geschminkt als een echte clown, met een wit gelaat en een grote zwartomrande mond. Bruno heeft een naturel uiterlijk, weliswaar draagt hij een clownkostuum, maar er komt geen schmink aan te pas. Tegen het einde van de voorstelling als het conflict zijn hoogtepunt bereikt heeft en het verdict is gevallen ('dit was de laatste keer dat we hebben optreden') begint Bruno zich aan de schminktafel te grimeren. De verliezer blijkt de winnaar te zijn: hij zal blijven leven als clown en als mens. Demi daarentegen haalt juist alle maquillage van zijn gezicht: zijn rol is voorgoed uitgespeeld.
De diepliggende treurnis die als een deken over de hele voorstelling ligt, lijkt in eerste instantie vooral te gaan over het besef van ouder en passé te zijn. Pas na de onthulling van de ongeneeslijke ziekte, wanneer de voorstelling al bijna voorbij is, krijgt het nog een extra betekenis: de grootste treurnis zit hem niet in het ouder worden maar in het niet kunnen en niet willen kwetsen van een dierbare. Demi kan tegen Bruno niet zeggen dat hij dood gaat, want hij ziet hem te graag. Bovendien houdt zijn geest zo nog een achterpoortje open: door het niet hardop te zeggen, kan men tegen beter weten in de gedachte blijven koesteren dat het misschien niet waar is. Het is die spanning, dat onbewuste weten, dat Demi zo onuitstaanbaar en prikkelbaar maakt. Hij legt de schuld onterecht bij het falen van zijn vriend, schuift de schuld op diens drinkgedrag, waarvan we ons na afloop kunnen afvragen of dat inderdaad zo erg is als werd voorgesteld.
Het is een gedachte die door de timing helaas weinig kans krijgt om binnen te dringen. Tel deze ietwat onevenwichtige dramaturgische opbouw op bij het niet zo originele off-stage-concept, en je zou De Marcellini's kunnen zien als een voorstelling die niet zal blijven hangen. Toch blijft deze voorstelling over twee uitgebluste clowns nog lang in je hoofd ronddolen en wel om twee redenen: in de eerste plaats vanwege de lamlendige sfeer die consequent de boventoon voert en die het publiek langzaam in een trance vol persoonlijk sentiment en weemoed brengt. Maar bovenal is er het talent van de twee spelers. Er bestaat tussen Leue en Vanden Broecke een onmiskenbare persoonlijke en professionele chemie waardoor ze een sterke duoprestatie leveren en elkaar aanvullen als, inderdaad, illustere voorgangers zoals Bassie en Adriaan of de Dikke en de Dunne.
Anna van der Plas